direct naar inhoud van Artikel 6 Bedrijventerrein - 2
Plan: Bedrijventerreinen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0457.BP0300BT-oh04

Artikel 6 Bedrijventerrein - 2

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein - 2'aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijfsactiviteiten als genoemd in bijlage 2 (Staat van Bedrijfsactiviteiten), met uitzondering van de categorieën logies-, maaltijden- en drankenverstrekking, onderwijs, gezondheid- en welzijnszorg, cultuur, sport en recreatie en overige dienstverlening, met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2', uitsluitend bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 2 zijn toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2', uitsluitend bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 3.2 zijn toegestaan;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2', uitsluitend bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 4.2 zijn toegestaan;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 5.1', uitsluitend bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 5.1 zijn toegestaan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bevi': een bevi-inrichting;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - farmaceutisch bedrijf': een farmaceutisch bedrijf;
  • d. kantoor als ondergeschikte functie;
  • e. horeca als ondergeschikte functie;
  • f. e-commerce;
  • g. met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ontsluitingswegen, paden, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie;

met dien verstande dat:

  • h. Bevi-inrichtingen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bevi';
  • i. vuurwerkbedrijven niet zijn toegestaan;
  • j. Wgh-inrichtingen niet zijn toegestaan;
  • k. inrichtingen die zijn genoemd in bijlage C en D van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 niet zijn toegestaan, met uitzondering van bestaande inrichtingen.
6.2 Bouwregels

Op of in de in lid 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming, met dien verstande dat:

6.2.1 Gebouwen
  • a. gebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen een bouwvlak;
  • b. over het hele bouwvlak ondergronds mag worden gebouwd met een verticale diepte van niet meer dan 4 m;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' niet meer dan 10 m mag zijn;
  • d. de bouwhoogte van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' niet meer dan 15 m mag zijn;
  • e. de bouwhoogte van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2 en 5.1' niet meer dan 20 m mag zijn;
  • f. geparkeerd wordt op eigen terrein waarbij de parkeernormen gelden, zoals opgenomen in bijlage 3 Parkeernormen, en waarbij parkeren op het dak en ondergronds is toegestaan.
6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 3 m mag zijn;
  • b. de bouwhoogte van kleinschalige duurzame energietechnieken niet meer dan 7 m mag zijn, gemeten vanaf de plaatsingshoogte;
  • c. in aanvulling op het bepaalde onder b gelden voor kleinschalige windturbines de volgende regels:
    • 1. een kleine windturbine met wieken is vrijstaand toegestaan; andere kleine windturbines zijn op platte daken van gebouwen of vrijstaand op een mast toegestaan;
    • 2. de bouwhoogte van een kleine windturbine, inclusief de tip van de rotor, bedraagt niet meer dan 15 meter; van een kleine windturbine met verticale as bedraagt de rotordiameter niet meer dan 5 m; van een niet-wiekturbine bedraagt de rotordiameter niet meer dan 2 meter;
    • 3. de bouwhoogte van een kleine windturbine op een gebouw lager dan 10 meter bedraagt niet meer dan de helft van de bouwhoogte van het gebouw; bij hogere gebouwen bedraagt de bouwhoogte van een kleine windturbine niet meer dan een derde van de bouwhoogte van een gebouw;
    • 4. de afstand van een kleine windturbine tot de perceelsgrens bedraagt ten minste 15 meter;
  • d. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer zijn dan de bouwhoogte van gebouwen.
6.3 Afwijken van de bouwregels
6.3.1 Afwijken

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 6.2.1 sub c voor een bouwhoogte van niet meer dan 15 m;
  • b. lid 6.2.1 sub d en e voor een bouwhoogte van niet meer dan 25 m.
6.3.2 Afwegingskader

Een in lid 6.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het woon- en leefklimaat;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. de externe veiligheid.
6.4 Specifieke gebruiksregels
6.4.1 Strijdig gebruik

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. bewoning van bedrijfsruimten;
  • b. het gebruik van gronden als staanplaats voor onderkomens en als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen, materialen en producten, tenzij dit noodzakelijk is in verband met de ter plaatse gevestigde bedrijvigheid of het normale beheer en onderhoud van de gronden en gebouwen;
  • c. het uitbreiden van het vloeroppervlak, de capaciteit en/of het veranderen van de aard van bestaande Bevi-inrichtingen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bevi', waardoor het PR 10-6 contour buiten de inrichtingsgrens komt te liggen;
  • d. zelfstandige horeca;
  • e. detailhandel.
6.4.2 Parkeernormen

Op of in de in artikel 6.1 bedoelde gronden gelden de parkeernormen, zoals opgenomen in bijlage 3 Parkeernormen.

6.5 Afwijken van de gebruiksregels
6.5.1 Afwijken

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. lid 6.1 sub a t/m d voor het toestaan van bedrijven die niet zijn genoemd in bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten of die volgens bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten, van een hogere categorie zijn, voorzover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de reeds toegelaten categorie, met dien verstande dat:
    • 1. Bevi-inrichtingen niet zijn toegestaan;
    • 2. vuurwerkbedrijven niet zijn toegestaan;
    • 3. Wgh-inrichtingen niet zijn toegestaan.
  • b. lid 6.1 sub a1 t/m a4 voor het overschrijden van de aanduidingsgrenzen, indien de overschrijding noodzakelijk is in verband met de realisering van een bedrijfsgebouw ten behoeve van bedrijfsactiviteiten in een hogere dan de toegelaten categorieën, indien het betreffende bedrijfsgebouw voor niet minder dan 50% van de bedrijfsvloeroppervlakte gerealiseerd wordt in de zone waar de betreffende activiteit is of na verlening van de omgevingsvergunning kan worden toegestaan;
  • c. lid 6.1 voor het toestaan van dienstverlenende bedrijven en overheidsbedrijven;
  • d. lid 6.1 voor het toestaan van bedrijven in de categorieën logies-, maaltijden- en drankenverstrekking, onderwijs, gezondheid- en welzijnszorg, cultuur, sport en recreatie en overige dienstverlening, met uitzondering van kappers en schoonheidsinstituten ;
  • e. lid 6.4.2 voor het verlagen van de parkeernorm onder de voorwaarde dat op een andere ruimtelijk acceptabele wijze voldaan wordt aan de parkeerbehoefte en dat de noodzaak aangetoond wordt;
  • f. lid 6.4.1 sub c en toestaan dat de PR 10-6 contour van een bevi-inrichting buiten de inrichtingsgrens komt te liggen voor zover samenvallend met de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer', Verkeer - Railverkeer' en/of 'Water'.
6.5.2 Afwegingskader

Een in lid 6.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het woon- en leefklimaat;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de parkeersituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • g. de sociale veiligheid;
  • h. de externe veiligheid.