direct naar inhoud van 5.8 Natuur
Plan: Leeuwenveld III en IV
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vo01

5.8 Natuur

5.8.1 Algemeen

Natuur en groen wordt over het algemeen positief gewaardeerd. Zowel in als buiten de stad vertoeven veel mensen in hun vrije tijd graag in de bossen en de parken in en rond de stad. De aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een woongebied. Ook de aanwezigheid van dieren, bijvoorbeeld vogels, in de stad wordt over het algemeen als positief ervaren. De aanwezigheid van voedsel-, nest- en rustgebied is voor deze dieren van essentieel belang.

5.8.2 Regelgeving

De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in de structuurvisie is vastgelegd. De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming:

Gebiedsbescherming

De gebiedsbescherming omvat Beschermde Natuurmonumenten aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998, Speciale Beschermingszones (SBZ/Natura 2000) aangewezen in het kader van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn en de Ecologische Hoofdstructuur. De gebiedsbescherming van Natura 2000 is sinds oktober 2005 volledig geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998. Globaal kan gesteld worden dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebiedspecifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten een beschermd gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied.

Soortbescherming

De soortbescherming is geregeld in de Flora- en faunawet. Deze geldt overal in Nederland. In het kader van de Flora- en faunawet is een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Om bij het opstellen van plannen, dan wel bij de uitvoering van de werkzaamheden, rekening te kunnen houden met de aanwezige beschermde plant- en diersoorten is het noodzakelijk om te weten welke soorten in het gebied voorkomen. Indien als gevolg van werkzaamheden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen beschermde soorten worden geschaad, is een ontheffing ex art. 75 Flora- en faunawet noodzakelijk. Deze moet worden aangevraagd bij het ministerie van EL&I. Het is daarbij van belang om te weten tot welke beschermingscategorie de aanwezige soorten behoren.

5.8.3 Onderzoek

In een Natuurtoets is de aanwezigheid van beschermde gebieden en flora- en faunasoorten onderzocht. Doel van dit onderzoek is het opsporen van strijdigheden van de voorgenomen ontwikkeling met de Flora- en faunawet en/of de Natuurbeschermingswet 1998 en het bepalen of de aanvraag van een ontheffing noodzakelijk is. De volledige rapportages is opgenomen in bijlage 6 en 7 bij dit bestemmingsplan. Hieronder staan de belangrijkste resultaten weergegeven.

5.8.3.1 Gebiedsbescherming

Het plangebied heeft geen beschermde status in het kader van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de Natuurbeschermingswet 1998 en maakt geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. Het plangebied ligt ongeveer 1,4 kilometer verwijderd van de Ecologische Hoofdstructuur (zie figuur 5.3). De ontwikkeling hoeft niet getoetst te worden aan de regelgeving omtrent de Ecologische Hoofdstructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vo01_0013.png"

Figuur 5.4: Ligging plangebied ten op zichten van de Ecologische hoofdstructuur (Bron: Provincie Noord-Holland).

Een groot gedeelte van het plangebied is aangeduid als een transformatiegebied voor meervoudig (natuur) (zie figuur 5.4). Dit houdt in dat binnen het zoekgebied voor verstedelijking waarin opgaven voor natuur en andere opgaven voor bijvoorbeeld wonen, water, recreatie, natuur en bedrijvigheid in samenhang worden ontwikkeld met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit, bereikbaarheid en duurzaam bouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vo01_0014.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vo01_0015.png"

Figuur 5.5: Beschermde natuurgebieden rondom het plangebied (bron: Structuurvisie Noord Holland 2040).

De Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer , Naardermeer en Oostelijke Vechtplassen liggen op dusdanige afstand dat er mogelijk ecologische relaties bestaan tussen het plangebied en de natuurwaarden van deze beschermde gebieden. De beoogde ontwikkeling wordt daarom middels een voortoets getoetst aan de Natuurbeschermingswet 1998. De volledige Voortoets is opgenomen als bijlage bij de eerder genoemde rapportage (Bijlage 7 bij dit bestemmingsplan). Uit de effectbeoordeling in de Voortoets komt naar voren dat effecten op de instandhoudingsdoelen van in de omgeving gelegen Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Het project is derhalve niet vergunningplichtig onder de Natuurbeschermingswet. Er hoeft geen vervolgonderzoek in de vorm van een "Verslechteringstoets" of "Passende beoordeling" uitgevoerd te worden.

5.8.3.2 Soortbescherming

De voorgenomen ontwikkeling kan effect hebben op beschermde diersoorten. In de Natuurtoets zijn de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de beschermde flora en faunasoorten onderzocht. Uit de bureaustudie en het veldbezoek die in het kader van de Natuurtoets zijn uitgevoerd is naar voren gekomen dat ter plaatse van het plangebied strikt beschermde soorten voorkomen. Hieronder zijn de mogelijke effecten voor de aanwezige soortgroepen beschreven.

Broedvogels

Op het grasland en in slootkanten zijn gedurende het voorjaar broedende vogels aanwezig. Vanuit de Flora- en faunawet is het verboden om de nesten van broedende vogels te verstoren. Hiervoor kan in principe ook geen ontheffing worden verkregen, omdat dit eenvoudig kan worden voorkomen door voor broedende vogels verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen te plannen.

Dit betekent dat bij de planning van de noodzakelijke werkzaamheden rekening gehouden dient te worden met het broedseizoen van de aanwezige vogels. Indien gedurende het voorjaar gewerkt wordt, dient voorkomen te worden dat vogels op of nabij het bouwterrein gaan broeden om zo negatieve effecten op vogels door verstoring te voorkomen.

Voor het broedseizoen kan geen vaste periode worden aangegeven, omdat dit van soort tot soort en van jaar tot jaar kan verschillen afhankelijk van de weersomstandigheden. Globaal kan echter de periode maart tot en met juli aangehouden worden.

Vleermuizen

Negatieve effecten op vleermuizen binnen het projectgebied zijn uit te sluiten. Er bevinden zich geen vaste rust- of verblijfplaatsen voor vleermuizen op het plangebied aanwezig die negatieve effecten ondervinden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Verstoring van beschermde vaste- rust of verblijfplaatsen is daarom niet aan de orde.

Er zijn op het plangebied geen lijnvormige elementen aanwezig die als vaste vliegroute voor vleermuizen fungeren. Als foerageergebied lijkt het plangebied dermate op het aangrenzende terrein (Bloemendalerpolder) dat de vleermuizen hier naar kunnen uitwijken als foerageerlocatie. De te realiseren woningen in het plangebied vormen in potentie een nieuw geschikte verblijf- en rustplaats voor gebouwminnende vleermuissoorten. De openbare ruimte is geschikt als foerageergebied.

Het verdwijnen van het open karakter door het bebouwen van het terrein, zal gezien het geringe oppervlakte en het veelvuldig aanwezig zijn van foerageergebieden in de directe omgeving, niet resulteren in negatieve effecten op de eventuele aanwezige vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in de woonwijk nabij het plangebied.

Overige zoogdieren

De start van de bouwwerkzaamheden en het bouwrijp maken van het terrein kan met name schade veroorzaken aan kleine zoogdieren zoals muizen en spitsmuizen. Deze schade is maar moeilijk te voorkomen, omdat deze soorten bij onraad hun hol in vluchten en zich bij gunstige omstandigheden nagenoeg het hele jaar voortplanten. Ze leven echter geen van alle in kolonies. Door de solitaire levenswijze en de hoge reproductiesnelheid zal de schade beperkt zijn. De gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten komt niet in het gedrang.

Grotere zoogdieren als hazen hebben grote leefgebieden en zullen tijdens de werkzaamheden het plangebied mijden. In de omgeving is voldoende geschikt leef- en rustgebied aanwezig voor deze soorten. Effecten op populatieniveau van deze soorten worden niet verwacht.

De gunstige staat van instandhouding van voorkomende en verwachte zoogdieren zal niet worden aangetast als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

Amfibieën en reptielen

Ondanks dat de rugstreeppad in de omgeving van het plangebied waargenomen is (bureaustudie), zal de soorteninstandhouding niet in het geding komen door de te bouwen woningen. De aanwezige sloten (met name aan de Leeuwenveldseweg) zijn sterk verland waardoor deze watergangen geen geschikt voortplantingsbiotoop vormen voor de rugstreeppad. Echter, de sloten die het plangebied doorkruisen sluiten dankzij het open karakter beter aan bij de habitateisen van de rugstreeppad. Daarom kan er niet worden uitgesloten dat de rugstreeppad hier gebruik van maakt.

Het plangebied is in potentie een geschikt foerageer, rust- en verblijfgebied voor de ringslang. De ringslag is echter eveneens niet in het plangebied waargenomen. Aangezien zowel de rugstreeppad als de ringslang strikt beschermde soorten zijn, zullen in het voorjaar van 2013 extra veldbezoeken worden afgelegd. Afhankelijk van de uitkomst hiervan zal eventueel een ontheffing worden aangevraagd.

Naast de rugstreeppad en de ringslang komen er voornamelijk algemene amfibiesoorten voor zoals de groene kikker, bruine kikker en de gewone pad. Deze amfibieën zijn zogenaamde algemeen beschermde 'Tabel 1' soorten. Voor de algemene soorten van Tabel 1 geldt een vrijstelling voor artikelen 8 t/m 12 van de Flora- en faunawet.

Schade aan amfibieën is het grootst als de graafwerkzaamheden in het voortplantingsseizoen plaats vindt (maart tot en met juli). In deze periode zijn zowel de volwassen dieren als larven aanwezig in het water. Na de voortplanting verlaten sommige amfibieën het water om het landbiotoop op te zoeken en later om te overwinteren. Zij overwinteren in holletjes in de bodem, onder bladafval, takkenhopen of stenen.

voortplantingsplaatsen van amfibieën worden verstoord en vernietigd. Dit geldt met name voor soorten die in het water overwinteren, namelijk de bastaardkikker. De bastaardkikker is een algemeen voorkomend soort. Indien de werkzaamheden buiten de voortplantingstijd en overwintering worden uitgevoerd is de schade beperkt. De ingreep heeft geen effecten op populatieniveau.

Bij uitvoering van de werkzaamheden aan perceelgrenzen of slootkanten in het najaar- of winterperiode kunnen overwinteringsplaatsen (greppels, holletjes) van amfibieën worden verstoord en vernietigd. Dit geldt met name voor soorten die op land overwinteren, namelijk de gewone pad, bruine kikker en deels de kleine watersalamander. De gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander zijn algemeen voorkomende soorten. Indien de werkzaamheden buiten de voortplantingstijd en overwintering worden uitgevoerd is de schade beperkt. De ingreep heeft hoe dan ook geen effecten op populatieniveau aangezien het nieuw ingerichte landgoed, door de afwisseling van natte en droge biotopen, optimaal geschikt is voor amfibieën.

Planten

Effecten op beschermde flora kan uitgesloten worden aangezien deze niet op het plangebied aanwezig zijn..

Overige beschermde soorten

Er zijn geen effecten te verwachten op beschermde soorten uit de soortgroepen, dagvlinders, vissen, libellen of ongewervelde. De beschermde soorten uit deze soortgroepen zijn niet aangetroffen tijdens het terreinbezoek en de aangetroffen biotopen zijn niet geschikt voor de beschermde soorten uit deze soortgroepen.

5.8.4 Conclusie

Kort samengevat is het resultaat van de natuurtoets dat zich ter hoogte van het projectgebied twee beschermde faunasoorten bevinden: de rugstreeppad en de ringslang. Door de beoogde ontwikkeling gaat voor beide soorten leefgebied verloren en voor de rugstreeppad potentieel voortplantingsbiotoop. Omdat beide soorten niet in het plangebied zijn waargenomen, worden in het voorjaar van 2013 extra veldbezoeken afgelegd. Afhankelijk van de uitkomsten hiervan zal eventueel een ontheffing worden aangevraagd en dienen mitigerende maatregelen te worden getroffen.

Het plangebied is geschikt leefgebied voor algemeen beschermde zoogdiersoorten (zoals muizen en hazen), daarnaast vormt het een land en waterbiotoop voor algemeen beschermde amfibieënsoorten en is het een leef- en broedgebied voor enkele weidevogels. Vleermuizen kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied. Dat er verblijfplaatsen van strikt beschermde vleermuizen op het plangebied voorkomen is uit te sluiten. Het omvormen van het plangebied in een woonwijk heeft geen negatief effect op de gunstige staat van eventueel op het plangebied voorkomende foeragerende vleermuizen, evenmin heeft het een negatief effect op een vaste vliegroute. Op het plangebied zijn geen vogelnesten aanwezig die jaarrond zijn beschermd (categorie 1-4).

Aangezien op het terrein in het voorjaar wel diverse broedende vogels zijn te verwachten, dient hiermee in de planning en uitvoering rekeningen gehouden te worden. Dit is de meest gunstige periode voor de eventuele aanwezige overwinterende amfibieën (gewone pad) en zoogdieren (egel) en broedvogels. Er mag in geen geval begroeiing langs de oevers gedurende het voorjaar verwijderd worden zonder ecologische inspectie vooraf.

Tijdens het bouwrijp maken van het terrein zullen er negatieve effecten optreden op een aantal algemene beschermde soorten. Door een zorgvuldige werkwijze en het nemen van mitigerende maatregelen (juiste planning) kan schade worden voorkómen en blijven negatieve effecten beperkt. Mitigerende maatregelen staan in de rapportage van de Natuurtoets beschreven. Voor de effecten op de algemene voorkomende, maar beschermde soorten (uit tabel 1 van de Flora- en faunawet) hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Voor deze algemene soorten geldt een vrijstelling.