direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Leeuwenveld III en IV
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Blauwhoed is voornemens de woonwijk Leeuwenveld III en IV in Weesp te ontwikkelen, bestaande uit maximaal 222 woningen. Het plangebied van het bestemmingsplan heeft een oppervlakte van circa 6,9 hectare en is momenteel in gebruik als weiland. De functieverandering is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel de ontwikkeling 'Leeuwenveld III en IV' te voorzien van een juridisch-planologisch kader.

1.2 Doel van het bestemmingsplan

Het doel van het bestemmingsplan Leeuwenveld III en IV is tweeledig:

  • 1. het vastleggen van de gewenste ruimtelijke structuur in een juridisch-planologisch kader;
  • 2. het bestemmingsplan maakt nieuwe ontwikkelingen in het plangebied mogelijk en stelt randvoorwaarden aan deze ontwikkelingen.

Mede in verband met de huidige economische crisis, kiest de gemeente ervoor een globaal bestemmingsplan voor het gebied op te stellen. Het bestemmingsplan legt de hoofdlijnen en daarmee de belangrijkste kwaliteiten van het plan vast. De in voorliggende toelichting opgenomen inrichtingsschetsen tonen daarmee geen eindbeeld, maar hebben een indicatief karakter.

1.3 Begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen in de Bloemendalerpolder en sluit aan op de bestaande woonwijk Leeuwenveld I. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Leeuwenveldseweg (zuidzijde), het open agrarisch gebied van de Bloemendalerpolder (noordzijde) en de woonwijk Leeuwenveld I aan de oostzijde. Kenmerkend voor het plangebied is dat het taps toeloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0002.jpg"

Figuur 1.1: Begrenzing woon- en werkgebied Leeuwenveld (geel gearceerd = Leeuwenveld III en IV, paars omlijnd = Leeuwenveld I, blauw en blauw gearceerd = Leeuwenveld II ).

1.4 Vigerende bestemmingsplannen

Tot het moment waarop het bestemmingsplan 'Leeuwenveld III en IV' in werking treedt, geldt het bestemmingsplan 'Uitbreidingsplan in onderdelen' van de gemeente Weesp. Dit bestemmingsplan is goedgekeurd op 8 april 1953 door GS van de provincie Noord-Holland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0003.png"

Figuur 1.2: Uitsnede plankaart 'Uitbreidingsplan in onderdelen' (1953).

In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarische doeleinden (veeteelt, akkerbouw, tuinbouw, fruitteelt)'. Deze bestemming biedt de mogelijkheid om bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming te bouwen, met uitzondering van bedrijfswoningen. Deze zijn uitsluitend toegestaan in daarvoor aangewezen zones. Hiervan is in het plangebied echter geen sprake. De ontwikkeling van het gebied tot woonwijk is derhalve in strijd met de geldende bestemming.

1.5 Leeswijzer

In de toelichting worden de volgende onderwerpen behandeld.

  • Hoofdstuk 2 beschrijft, voor zover relevant, in hoofdlijnen de beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden ten aanzien van het plangebied zijn gepubliceerd. Dit geeft een impressie van het beleidskader van onderhavig bestemmingsplan.
  • Vervolgens wordt een analyse van het plangebied weergegeven. Hierbij gaat het zowel om de ruimtelijke structuur als de aanwezige functies en de onderlinge samenhang daartussen (hoofdstuk 3).
  • Hoofdstuk 4 bevat een weergave van het woningbouwplan en gerelateerde uitgangspunten van het bestemmingsplan.
  • In hoofdstuk 5 komen milieutechnische en civieltechnische randvoorwaarden in het plangebied aan de orde.
  • Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op de manier waarop de planregels in combinatie met de verbeelding (plankaart) moeten worden gelezen.
  • In hoofdstuk 7 wordt aangegeven of het plan economisch uitvoerbaar wordt geacht.
  • De maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt beschreven in hoofdstuk 8.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

Het bestemmingsplan 'Leeuwenveld III en IV' vindt zijn basis in het ruimtelijk beleid zoals dat in nota's en plannen van het rijk, de provincie, de regio (Gooi- en Vechtstreek) en de gemeente is vastgelegd. Dit hoofdstuk geeft het beleidskader weer dat van toepassing is op dit bestemmingsplan.

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Het Rijk zet met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) het nationaal ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • "het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • wet verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn".

Naast de drie hoofddoelen wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en multimodale bereikbaarheid.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het kabinet zal in de SVIR vaststellen dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Het rijk beëindigt de rol bij nationale landschappen, rijksbufferzones en het verstedelijkingsbeleid. In de structuurvisie worden de rijksdoelen en nationale belangen limitatief beschreven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0004.jpg"

Figuur 2.1: Uitsnede kaart 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde' (bron: bijlage 3 - kaarten, Barro)

De 'Stelling van Amsterdam' en 'Nieuwe Hollandse Waterlinie' behoren conform de Barro tot de 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde' (figuur 2.1). De erfgoederen zijn deels gelegen in de gemeente Weesp. Binnen het plangebied is geen onderdeel van de 'Stelling van Amsterdam' en 'Nieuwe Hollandse Waterlinie' gelegen.

2.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, hanteert het Rijk een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Dit is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Daarbij worden onderstaande opeenvolgende stappen gehanteerd:

  • 1. Beoordeling door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale en intergemeentelijke behoefte voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen waarin nog niet elders is voorzien;
  • 2. Indien de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag, beoordelen betrokken overheden of deze binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten;
  • 3. Indien herstructurering of transformatie van bestaand stedelijk gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, beoordelen betrokken overheden of de ontwikkeling zo kan worden gerealiseerd dat deze passend multimodaal ontsloten is of als zodanig wordt ontwikkeld.

Stap 1:

Zowel het gebiedsdocument metropoolregio Amsterdam, de provinciale structuurvisie en het regionaal actieprogramma Wonen 2011-2025 houden rekening met de realisatie van woningen in de Bloemendalerpolder. In het kader van de duurzame ladder kan worden gesteld dat het nieuwbouwplan Leeuwenveld 3 en 4 voldoet aan stap 1. De Bloemendalerpolder vervult voor de woningvraag namelijk een regionale behoefte. In het geval van de metropoolregio betreft het een kwalitatieve behoefte (het bieden van een groenstedelijk woonmilieu). Voor de regio Gooi en Vechtstreek gaat het om een meer kwantitatieve behoefte.

Stap 2:

Bij stap twee dient te worden beoordeeld of de opgave in bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. Het aantal van 222 woningen is niet realiseerbaar binnen het bestaande stedelijk gebied van Weesp.

Stap 3:

Stap drie van de duurzame ladder vraagt om een locatie die multimodaal ontsloten wordt. Dat is voor Leeuwenveld 3 en 4 het geval. Het plangebied is gelegen aan de Leeuwenveldseweg, op nog geen 100 meter van het treinstation. Het station ligt op de route Amsterdam - Almere en Amsterdam - Amersfoort. Daarnaast zal op korte termijn de A1 verlegd worden. Weesp wordt direct ontsloten met de snelweg, waarmee Leeuwenveld 3 en 4 nog beter bereikbaar zal zijn vanaf de snelweg.

De voorgenomen ontwikkeling van het gebied Leeuwenveld 3 en 4 voldoet aan de stappen zoals opgenomen in de ladder duurzame verstedelijking.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040

Op 21 juni 2010 is de structuurvisie Noord-Holland 2040 'Kwaliteit door veelzijdigheid' vastgesteld. In deze structuurvisie is het beleid van de provincie Noord-Holland beschreven voor de periode tot en met het jaar 2040.

Visie

Noord-Holland is een mooie provincie om in te wonen, te werken en om te bezoeken. De provincie is veelzijdig met een aantal belangrijke economische motoren van Nederland, bruisende steden, natuurparken, het strand en open grasland vol weidevogels. Dit bijzondere karakter wil de provincie bewaken. Tegelijkertijd zijn er ontwikkelingen als globalisering, klimaatverandering en trends zoals vergrijzing en krimp die een grote ruimtelijke impact hebben. In de structuurvisie beschrijft de provincie hoe en op welke manier ze met deze ontwikkelingen en keuzes omgaat en er wordt geschetst hoe de provincie er in 2040 moet uitzien.

De provincie kiest ervoor vooral de bestaande kwaliteiten verder te ontwikkelen. Noord-Holland moet aantrekkelijk blijven in wat het is: een diverse, internationaal concurrerende regio, in contact met het water en uitgaande van de kracht van het landschap.

Voor het plangebied is het volgende van belang:

  • de provincie gaat voorzichtig om met uitleg buiten bestaande kernen, vanwege de bevolkingskrimp op langere termijn;
  • realiseren duurzame energie op eigen grondgebied ten behoeve van de CO2-reductie;
  • versterken waterkeringen en aanleggen van calamiteitenbergingen tegen wateroverlast.

Bestaand Bebouwd Gebied

Het plangebied is door de provincie grotendeels aangeduid als 'Transformatie gebied meervoudig', het oostelijke gedeelte van het plangebied is aangeduid als 'Bestaand Bebouwd Gebied'. De aanduiding als 'Transformatie gebied meervoudig' betekent dat de provincie mogelijkheden ziet voor bouwen buiten het Bestaande Bebouwd Gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0005.jpg"

Figuur 2.2: Uitsnede plankaart structuurvisie Noord-Holland 2040

(zwart = bestaand bebouwd gebied, groen = veenriverenlandschap, arcering = transformatiegebied meervoudig, paars = bestaand bedrijventerrein, rode cirkel = verdichting rond OV-knooppunten)

2.2.2 Provinciale ruimtelijke verordening structuurvisie

Op 21 juni 2010 is de Provinciale ruimtelijke verordening structuurvisie (Prvs) vastgesteld.

Voor de doorwerking van het in de structuurvisie vastgelegde beleid staan de provincie,naast de bekende bestuurlijke middelen als subsidies, overleg, convenanten en dergelijke, diverse juridische instrumenten ter beschikking, zoals de Prvs.

De Prvs is het aangewezen instrument als het gaat om algemene regels omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen of ruimtelijke onderbouwingen. Uiteraard moet altijd het provinciale belang de inzet van de verordening rechtvaardigen.

Voor nieuwe woningbouw in het landelijk gebied is ontheffing van de provincie Noord-Holland nodig. Voor nieuwe woningbouw in het transformatiegebied is geen ontheffing van de provincie nodig.

Zoals vermeld in paragraaf 2.2.1 is een klein gedeelte van Leeuwenveld 3 en 4 (oostzijde) aangewezen als bestaand bebouwd gebied (BBG). Het overige deel is aangewezen als transformatiegebied – meervoudig -. In figuur 2.3 is een uitsnede van het betreffende kaartblad uit de Prvs weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0006.png"

Figuur 2.3: Uitsnede kaartblad Prvs. Rood = bestaand bebouwd gebied, grijs = transformatiegebied - meervoudig.

Volgens artikel 13 lid 5 sub c is geen ontheffing vereist voor gebieden die onderdeel uitmaken van meervoudig transformatiegebieden. Voor het woningbouwproject is daarmee geen ontheffing vereist. Nut en noodzaak behoeft niet verder aangetoond te worden.

2.2.3 Gebiedsdocument Metropoolregio Amsterdam

De woningbouwambitie van de provincie voor de Metropoolregio Amsterdam is vastgelegd in het Gebiedsdocument Metropoolregio Amsterdam (9 april 2009). Uitgangspunt vormen de te maken verstedelijkingsafspraken met de Metropoolregio Amsterdam voor de periode 2010 -2020.

Voor het bouwen van de nieuwe woningen worden twee sporen gevolgd: een concentratie op de as Haarlemmermeer-Amsterdam-Almere-Lelystad en het verdichten van bestaand stedelijk gebied. Deze strategische keuze vergroot het draagvlak voor openbaar vervoer en grootstedelijke voorzieningen, terwijl tegelijkertijd de waardevolle landschappen in tact blijven.

Kwantitatieve woningbouwopgave

Voor de regio Gooi en Vecht, waar gemeente Weesp onderdeel van uitmaakt, is de woningbehoefte geraamd. Volgens de bestaande verstedelijkingsafspraken bedraagt de uitbreiding van de voorraad (nieuwbouw minus sloop) in Gooi en Vechtstreek tot 3.100 woningen en in de periode 2015-2019 1.800 woningen.

Gebleken is dat de beschikbare capaciteit in de Metropoolregio Amsterdam, zonder overigens rekening te houden met marktomstandigheden, voldoende is om de groei in de woningbehoefte te kunnen opvangen.

Kwalitatieve woningbouwopgave

Ten aanzien van de verdere verstedelijking tekenen zich twee grote opgaven af:

  • 1. Het transformeren van de voorraad na-oorlogse compacte wijken naar stedelijke woonmilieus;
  • 2. Ruimte voor het realiseren van de meer groenstedelijke en nieuwe woonmilieus. Voor het realiseren van deze opgave moet vooral gekeken worden naar uitleglocaties zoals de Westflank van de Haarlemmermeer, de Bloemendalerpolder en Almere. De capaciteit van de Bloemendalerpolder is minimaal 2450 woningen.
2.2.4 Monitor woningbouw 2012 provincie Noord-Holland

De Monitor Woningbouw geeft jaarlijks de voortgang weer in de taakstellingen die gemeenten hebben om woningen te realiseren. Het geeft inzicht in het aantal woningen dat jaarlijks wordt gebouwd of gesloopt en de mogelijkheden die er zijn om binnenstedelijk te bouwen.

In de Monitor Woningbouw 2012 wordt geconstateerd dat in de regio Gooi & Vechtstreek voldoende plannen zijn voor de korte termijn. Op de lange termijn ontstaat een mogelijk tekort aan plancapaciteit. Kwalitatief heeft de regio te weinig plannen voor huur- en grondgebonden woningen. Het doel dat de Gooi & Vechtstreek voor zichzelf heeft gesteld in de RAP is een bruto nieuwbouwopgave van 7.370 woningen tot 2019, waarvan 3.340 tot 2015. Dit komt neer op 668 woningen bruto per jaar, uitgaande van een gelijkmatige fasering. De bruto groei ligt op schema met 726 woningen in 2010 en 575 in 2011.

2.2.5 Provinciale woonvisie 2010-2020

Op 25 mei 2010 is de provinciale woonvisie 'Goed wonen in Noord-Holland' door Gedeputeerde Staten vastgesteld. De doelstelling is dat in 2020 de inwoners van Noord-Holland beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu. De provincie wil dit bereiken door samen met de regio’s Regionale actieprogramma’s (RAP’s) te ontwikkelen met duidelijke afspraken over de regionale woningbouwprogramma’s en deze uit te voeren.

De speerpunten van het beleid zijn:

  • 1. Verbeteren van de afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten, en specifiek voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning.
  • 2. Verbeteren van de mate waarin voorzieningen in de woonomgeving aansluiten bij de vraag van bewoners.
  • 3. Verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving.

2.3 Regionaal beleid

2.3.1 Regionaal Actieprogramma Wonen 2011-2025 Regio Gooi en Vechtstreek

Het doel van het Regionaal Actieprogramma Wonen is om te komen tot regionale woningbouwprogrammering, waarbij op regionaal niveau de afstemming tussen vraag en aanbod centraal staat.

Op basis van de herijking van de behoefte, opgave en ambities van de regionale woonvisie, de speerpunten als benoemd in het RAP, de bestaande verstedelijkingsafspraken en de woningbouwcapaciteit van de gemeenten in de regio, heeft de provincie de volgende conclusies geformuleerd voor het referentieprogramma in het RAP:

  • Het kwantitatieve nieuwbouwprogramma voor de regio voor deze RAP-periode 2010-2015 bedraagt 3.340 woningen.
  • Voor gemeente Weesp is de uitbreiding van de woningbouwvoorraad in de periode 2010-2019 geraamd op 690 woningen (780 nieuwbouw minus 90 sloop). Van deze raming zijn 360 woningen voorzien in de periode 2010-2014 en 420 in de periode 2015- 2019. In de periode 2010-2015 bedraagt in de gemeente Weesp de harde plancapaciteit 226 woningen, de zachte plancapaciteit 284 woningen. In de periode vanaf 2015 bedraagt de plancapaciteit 4.071 woningen.
  • Voor de realisatie van het volledige programma (tot en met de tweede RAP-periode) lijkt er voldoende (harde) plancapaciteit. De ontwikkeling van de Bloemendalerpolder is hiertoe echter van groot belang.
  • De kwalitatieve opgave voor de regio in de nieuwbouw blijft, mede op basis van behoeftecijfers van de provincie, 1/3 sociaal, 1/3 middelduur, 1/3 duur. De regio zet hierop in en verwacht, gezien de plancapaciteit, deze kwalitatieve invulling te kunnen realiseren.
  • Wat betreft de regionale invulling van het provinciale plan van aanpak wordt deze Rap-periode vooral ingezet op de primaire afspraken en de kwalitatieve invulling daarvan. Cruciaal daarbij voor de Regio Gooi en Vechtstreek is de kernambitie uit de regionale woonvisie om een maatschappelijk en economisch vitale regio te willen zijn.

2.4 Gemeentelijk beleid

2.4.1 Structuurvisie Weesp 2030

De structuurvisie Weesp 2030 is vastgesteld in september 2001 door de gemeenteraad van Weesp. Met deze visie heeft de gemeente als doel de hoofdlijnen van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling te schetsen van het gehele gemeentelijk grondgebied.

De algemene doelen die in de structuurvisie staan beschreven luiden als volgt:

  • versterken van de identiteit van de drie omliggende groene zeeën;
  • Weesp aan de Vecht promoten;
  • de uitstraling van de binnenstad versterken;
  • differentiatie van woonmilieus;
  • hoogwaardige bedrijvigheid.

In de structuurvisie staat een aantal opgaven voor de toekomst. De belangrijkste zijn: het vergroten van het contrast tussen stad en land, het opheffen van functionele barrières, een duurzame ontwikkeling, het tegengaan van versnippering door infrastructuur, het faciliteren van infrastructuur zonder dat het een barrière vormt, het versterken van de relatie tussen woonwerkgebieden en een verbetering van de lokale infrastructuur en de A1.

Gemeentelijk beleid is te streven naar een dynamische opbouw van de bevolking, die in elk geval gelijke tred houdt met het landelijke gemiddelde. Dit betekent dat er ruimte moet zijn voor een geringe groei in het bevolkingsaantal naar ongeveer 20.000 inwoners (huidige inwoneraantal per 1 februari 2012 is ruim 18.000 inwoners, bron: CBS). Niet de wens tot groei staat hierbij voorop, maar de mogelijkheden te komen tot verdere differentiatie van de woningvoorraad en daarmee de bevolkingsopbouw van Weesp. Nieuwbouw, inspelend op de veranderende woonwensen, moet de doorstroming in de huidige woningvoorraad op gang brengen. Het plangebied Leeuwenveld (I, II, III en IV) is reeds in de structuurvisie van 2001 aangewezen als woningbouwlocatie.

Een nieuwe structuurvisie Weesp 2040 staat op de gemeentelijke planning. Belangrijke input hiervoor is de Woonvisie. De nieuwe structuurvisie wordt niet meegenomen in dit bestemmingsplan, aangezien de structuurvisie naar verwachting later wordt vastgesteld dan dit bestemmingsplan.

2.4.2 Centrumvisie Weesp 2005-2015

De Centrumvisie Weesp is op 24 november 2005 vastgesteld door de gemeenteraad. Het document is opgesteld met als doel een beleidskader te scheppen voor de ruimtelijke ontwikkelingen de komende jaren.

De hoofdlijn binnen het beleid is de teruggang van het aantal bewoners binnen Weesp een halt toe te roepen en te groeien van 18.000 inwoners naar 21.000 inwoners. Hiervoor wordt de bestaande stad op bepaalde plekken geherstructureerd en wordt de Bloemendalerpolder verder uitgebreid.

Om inwoners te trekken dient de stad aantrekkelijker gemaakt te worden. Een belangrijk aspect hierbij is het uitdragen van de bestaande kwaliteiten van de stad Weesp. De kwaliteiten van Weesp zijn haar centrale ligging, karakteristiek historisch centrum, goede bereikbaarheid per auto en openbaar vervoer aan de rand van de randstad, combinatie van landelijk en stedelijk wonen, goede staat van onderhoud en betrekkelijke veiligheid.

In de visie wordt een aanzet gegeven tot beleid aangaande winkels, wonen, mobiliteit en cultuur & toerisme. Hiervoor zijn inmiddels separate beleidsstukken opgesteld.

2.4.3 Woonvisie Weesp 2011

In de gemeenteraadsvergadering van 8 december 2011 heeft de raad de Woonvisie Weesp 2011 vastgesteld. In dit beleidsstuk wordt de gemeentelijke visie geschetst over de toekomstige invulling van de woningmarkt van Weesp.

Woningmarkt

Uit bevolking- en woningmarktonderzoek blijkt dat veel dertigers (veelal met jonge kinderen) in de afgelopen 10 jaar wegtrekken. Dit is een probleem, want het is belangrijk om Weesp economisch en sociaal vitaal te houden. Jonge gezinnen zijn daar hard voor nodig. Weesp heeft, vergeleken met andere gemeenten, een hoog percentage gestapelde woningen terwijl de meeste Weespers graag in een rijtjeswoning of tweekapper willen wonen.

Vergeleken met andere gemeenten heeft Weesp een laag percentage koopwoningen en relatief veel sociale huur. Weesp heeft ook relatief veel woningen die in de prijsklasse betaalbaar (koop: < €200.000, huur: < €653) zitten. Hierdoor zijn er weinig doorstroommogelijkheden naar het middeldure segment. Daarnaast is het voor starters tegenwoordig erg moeilijk om een eerste eigen woning te kopen door aanscherping van de regels omtrent hypotheekverstrekking en de hoge woningprijzen. Ten slotte zijn er in Weesp te weinig woningen voor senioren met een zorgvraag. Hierbij gaat het met name om de woningen met 2, 3, 4 of 5 sterren. Aanbevolen wordt in deze woonvisie om te bouwen op nieuwbouwlocaties in de middeldure (koop: € 200.000-€ 350.000, huur: €653 - €850) of dure (koop: > € 350.000, huur: > € 850,) prijsklasse om doorstroming te bevorderen en te voorkomen dat jonge gezinnen vertrekken uit Weesp.

Woningbouwprogramma

Het woningbouwprogramma dat in Weesp wordt gerealiseerd, is voor een belangrijk deel bestemd voor het opvangen van de vraag naar woningen in Weesp, de regio Gooi & Vechtstreek en de metropoolregio Amsterdam. Daarbij kan opgemerkt worden dat met name de locaties die ontwikkeld worden nabij het station (Bloemendalerpolder, Nijverheidslaan en Leeuwenveld III en IV) een bovenlokale aantrekkingskracht hebben.

Uit zowel landelijk, lokaal als regionaal onderzoek blijkt dat er vooral een grote behoefte is in de regio naar grondgebonden woningen. De Bloemendalerpolder (inclusief Leeuwenveld) voorziet vooralsnog voornamelijk in grondgebonden woningen. Daarmee spelen de Bloemendalerpolder en Leeuwenveld op een goede manier in op de nog steeds aanwezige vraag naar nieuwe woningen.

De woonvisie wordt verder uitgewerkt in de in voorbereiding zijnde nieuwe Structuurvisie Weesp 2040.

2.4.4 Gemeentelijk verkeers- en vervoerplan

Het gemeentelijk verkeers- en vervoerplan (hierna: GVVP) is opgesteld in oktober 2007. Drie thema's worden als leidraad beschreven in het plan: bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. Ook parkeren wordt als een apart thema behandeld in het plan. Het beleid ten aanzien van de binnenstad wordt per thema behandeld.

Bereikbaarheid

Het doorgaand auto- en vrachtverkeer door de kern Weesp van de A1 naar de N236 betreft vooral sluipverkeer bij congestie op de A1. Het doorgaand verkeer door Weesp is niet aanzienlijk vanwege het feit dat automobilisten zowel op de A1 als de alternatieve route via de N236 vertraging ondervinden. Met het weren van doorgaand verkeer wordt bedoeld dat het doorgaand verkeer niet mag groeien en dat het creëren van een betere doorgaande route door Weesp dus niet gewenst is.

Het stimuleren van het fietsgebruik zal moeten plaatsvinden door de randvoorwaarden te creëren voor het gebruik van de fiets in de vorm van goede fietsroutes, maar ook door het fietsparkeren te faciliteren. Verbeteren van de bereikbaarheid per fiets en te voet van belangrijke bestemmingen kan worden gerealiseerd door een direct en aantrekkelijk netwerk van fiets- en voetgangersverbindingen aan te bieden. Intern zal Weesp moeten voorzien in een netwerk van snelle en comfortabele fietsroutes om de concurrentiepositie van de fiets ten opzichte van de auto voor interne verplaatsingen te verbeteren.

Verkeersveiligheid

Weesp beschikt over een fietsnetwerk. Op routeniveau ligt de veiligheid van fietsers daardoor op acceptabel niveau. De oversteekvoorzieningen dienen echter zo te worden vormgegeven dat ze voor automobilisten beter herkenbaar zijn, waardoor ook op deze punten de verkeersveiligheid verbetert.

Met alleen een goede inrichting is men er nog niet. Een deel hangt immers af van het gedrag van de gebruikers. Voorlichting, educatie en handhaving zijn belangrijke instrumenten om de verkeersveiligheid verder te verbeteren. In Duurzaam Veilig fase 2 krijgt dit aspect dan ook meer aandacht door het stimuleren van permanent verkeersonderwijs op scholen. Bijvoorbeeld het aanreiken van lespakketten is een middel om de voorlichting en educatie in het kader van de verkeersveiligheid te verbeteren. Tevens behoeft de verkeerssituatie bij scholen zelf aandacht vanwege de gevaarlijke situaties die daar veelal aanwezig zijn.

Leefbaarheid

De spoorlijn Amsterdam-Hilversum en de Leeuwenveldseweg vormt een barrière tussen de woonwijk Leeuwenveld (en de nieuwe woonwijk in de Bloemendalerpolder) en de rest van de kern Weesp. De gemeente stelt als doel dat de bereikbaarheid van deze wijken vooral per fiets en voet goed moet zijn, zodat er geen extra autoverkeer wordt opgeroepen in deze wijk. Dit zal ten goede komen aan de leefbaarheid.

Parkeren

De doelstellingen van parkeren zijn net als de doelstellingen voor bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid gevisualiseerd.

2.4.5 Groen beleidsplan (2007-2017)

Het groenbeleidsplan is vastgesteld op 8 augustus 2007 door de gemeenteraad. Het groenbeleidsplan heeft tot doel: 'Het verhogen van de kwaliteit van de leefomgeving nu en in de toekomst'. Hierdoor blijft de stad aantrekkelijk. Het groenbeleidsplan beschrijft de beleidskeuzes voor de komende 10-15 jaren en geeft concrete handvatten voor het bereiken van de doelen.

De beleidskeuzes zijn verwoord in 'de 10 groene regels' van Weesp:

  • 1. de huidige groenstructuur behouden en versterken;
  • 2. versterken oriëntatie en herkenbaarheid door boomstructuur;
  • 3. vergroten van de herkenbaarheid in inrichting en beheer;
  • 4. koppelingen leggen tussen de verschillende woonwijken;
  • 5. herkenbaarheid en versterking van de entrees, vestingwerken en centrum;
  • 6. ontwikkelen van ecologische waarden in de stad;
  • 7. groen als instrument voor een gezonder leefklimaat;
  • 8. recreatieve mogelijkheden van openbare ruimte vergroten;
  • 9. overgang tussen stedelijk gebied en de polders verzachten;
  • 10. versterken van het buitengebied.

Het merendeel van de 10 regels heeft betrekking op de ontwikkeling van het groen in het plangebied.

2.4.6 Welstandsnota Weesp

Op 27 mei 2010 is de Welstandsnota door de gemeenteraad herzien vastgesteld. In de welstandsnota wordt invulling gegeven aan de esthetische aspecten van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. De welstandsnota gaat daarbij vooral in op de architectonische aspecten van bouwwerken, zoals massa, vorm, kleur- en materiaalgebruik en detaillering. In stedenbouwkundige zin spreekt de welstandsnota zich uit over de uitstraling en ligging van de bebouwing in relatie tot de omgeving. Binnen de welstandsnota wordt bij bouwkundige ingrepen onderscheid gemaakt naar verschillende typen criteria: loketcriteria, objectcriteria en gebiedsgerichte criteria.

Het doel van de welstandsnota is gericht op het handhaven en versterken van een algemeen gewaardeerde woon-, werk- en leefomgeving, met een open oog voor veranderde omstandigheden en het onderkennen van nieuwe ontwikkelingen. Met het opstellen van een welstandsnota wordt verantwoording afgelegd over de aard, inhoud en maatschappelijke relevantie van de door de gemeente gekozen vorm en het ambitieniveau van het welstandstoezicht.

2.4.7 Beleidsvisie externe veiligheid

Het opstellen van deze visie is gebeurd in het kader van het Programma externe veiligheid 2006- 2010. Dit gezamenlijke programma van het Gewest, de Brandweer en de gemeenten van Gooi- en Vechtstreek is erop gericht de uitvoering van externe veiligheid op een adequaat niveau te brengen.

De visie gaat uit van het karakter van de regio Gooi-en Vechtstreek. Dat karakter is vooral dat de Gooi- en Vechtstreek een groen woongebied is, waar geen plaats is voor zware bedrijven met veel risico's. Deze beleidsvisie sluit daarbij aan door uit te gaan van de volgende uitgangspunten:

  • de nadruk ligt op het bieden van een veilige woonomgeving;
  • er moet ruimte zijn voor bedrijvigheid met en het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • de risico's moeten zoveel als mogelijk worden beperkt, afhankelijk van de functie van een gebied;
  • incidenten ten gevolge van activiteiten met gevaarlijke stoffen met een grote maatschappelijke ontwrichting tot gevolg vinden we niet acceptabel;
  • de aard van de bedrijvigheid en de risico's die dat met zich mee brengt moet passen in het karakter van de regio. Het vestigingsbeleid en het locatie beleid worden daarop aangepast.

Deze beleidsvisie maakt een onderscheid tussen bestaande en nieuwe activiteiten. Het Gewest Gooi- en Vechtstreek heeft er voor gekozen dit onderscheid te maken. Nieuwe activiteiten zullen moeten voldoen aan het beleid zoals dat in de visie is neergelegd. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat bedrijven met gevaarlijke sloffen die zich willen vestigen in de Gooi- en Vechtstreek dat alleen mogen doen op de bedrijventerreinen die als ontwikkelingsgebied zijn aangewezen. Echter, bestaande of reeds geprojecteerde situaties waarin niet wordt voldaan aan de ambities van deze visie worden niet gesaneerd. Het beleid voor bestaande situaties is erop gericht de gewenste situatie op termijn te bereiken, bijvoorbeeld door uit te gaan van het stand stille beginsel op de bedrijventerreinen die als beheersgebied zijn aan gewezen.

In het kader van het bestemmingsplan voor de woonwijk Leeuwenveld III en IV is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. In paragraaf 5.9 wordt hier nader op ingegaan.

2.4.8 Beleidsnota hogere waarden Wet geluidhinder

Het doel van het beleid is het vaststellen van een transparant en consistent toetsingskader waaraan bij een hogere waarde procedure wordt getoetst.

De gemeente vindt een goed woonklimaat (waaronder zo min mogelijk geluidsoverlast) belangrijk voor haar inwoners. Daarnaast vindt de gemeente het belangrijk dat ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig belemmerd worden. Er moet dus een balans zijn tussen de bescherming van het goede woonklimaat en het kunnen doorgaan van ruimtelijke ontwikkelingen. Daarom verbindt de gemeente Weesp randvoorwaarden aan vast te stellen hogere waarden.

In het kader van het bestemmingsplan voor de woonwijk Leeuwenveld III en IV is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en getoetst of de geluidbelasting op de nieuwbouwwoningen voldoen aan de geldende geluidsnormen, danwel hogere waarden moeten worden aangevraagd. In paragraaf 5.9 wordt hier nader op ingegaan.

2.4.9 Afwijkingenbeleid van Weesp

Het beleid ten aanzien van afwijkingen is vastgesteld door de gemeenteraad op 21 december 2011. Hierin verwoordt de gemeente haar ambitie ten aanzien van afwijkingen. De gemeente Weesp wil het aantal ruimtelijke procedures beperken. Dat is klantvriendelijker en voorkomt een onnodige belasting van de ambtelijke capaciteit. Daarom is ervoor gekozen om zoveel mogelijk direct bij recht toe te staan en zo min mogelijk afwijkingsmogelijkheden, nadere eisen, en dergelijke op te nemen.

Dit betekent onder andere dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden die toegestaan zijn in het Afwijkingenbeleid van Weesp, zoals vastgesteld op 21 december 2010, direct toegestaan worden in het nieuwe bestemmingsplan. De gemeente heeft immers al te kennen gegeven mee te willen werken aan deze bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het gaat in het afwijkingenbeleid om:

  • a. bouwmogelijkheden:
    • 1. erfbebouwingsregeling voor woningen zowel binnen als buiten de bebouwde kom;
    • 2. kelders bij woningen;
    • 3. overig: erfafscheidingen, dakkapellen en dakterrassen;
  • b. gebruiksmogelijkheden: aan huis gebonden beroepen en bedrijven (bij woningen binnen de bebouwde kom).

In voorliggend bestemmingsplan zijn zo min mogelijk binnenplanse procedure mogelijkheden opgenomen om afwijkingen en dergelijke toe te kunnen staan. Alle bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn waar mogelijk bij recht toelaatbaar gesteld. De bouw- en gebruiksmogelijkheden in het Afwijkingenbeleid van Weesp zijn bij recht toegestaan.

Hoofdstuk 3 Beschrijving en analyse plangebied

3.1 Ontstaansgeschiedenis

Het plangebied bevindt zich in de Vechtstreek,die zich kenmerkt door de weidsheid van het polderlandschap. In de gemeente Weesp zijn meerdere polders aanwezig, onder meer de Bloemendalerpolder en de Aetsveldsepolder. Het onderhavige plangebied is in de Bloemendalerpolder gelegen. Het landschap in het plangebied is vanaf de Late Middeleeuwen gevormd als gevolg van de veenontginningen. De opstrekkende strokenverkaveling in de veenontginningen is nog nagenoeg onaangetast.

Ontwikkeling woonwijk Leeuwenveld

Leeuwenveld is de meest recente uitleglocatie van de gemeente Weesp. Leeuwenveld I en II kenmerken zich met karakteristieke woningen in twee tot vier bouwlagen, in verschillende architectuurstijlen. Deze manier van bouwen sluit aan op de authentieke bebouwing in Weesp, compleet met tuin en eigen parkeergelegenheid.

Leeuwenveld I

Leeuwenveld I, bestaande uit 150 woningen, is geheel gerealiseerd. De verkaveling in Leeuwenveld I respecteert zowel de richting van de aangrenzende spoorbaan als de richting van het slotenpatroon in de Bloemendalerpolder. Woningen zijn enerzijds gericht op de open polder (aan de randen van het plangebied Leeuwenveld I), anderzijds is er centraal in het plan een waterpartij geïntroduceerd waarop de overige woningen zijn georiënteerd. In het water is een eiland opgenomen dat plaats biedt aan 14 woningen. Aan de noordzijde van het water zijn noord-zuid gerichte woonblokken ontworpen, die naar de polder toe worden begrensd door geschakelde bungalows in oost-west richting. Deze bebouwing heeft 2 bouwlagen met een platte afdekking. Een groenstrook loopt vanaf het eiland in noordelijke richting en legt een directe relatie met de open polder. Aan de zuidzijde van het water liggen eveneens noord-zuid gerichte blokken, waardoor er vanaf het water en het eiland doorzichten ontstaan naar de spoordijk en de stedelijke bebouwing van Weesp.

Leeuwenveld II

De besluitvorming voor de 1e fase van Leeuwenveld II heeft in 2007 plaatsgevonden. De woningen zijn in 2009/2010 opgeleverd en bewoond. Fase 2 van Leeuwenveld II, bestaande uit 48 woningen, wordt momenteel gerealiseerd. De ‘Weesper korrel’ - de schaal en het ritme van het centrum van Weesp - vormt de inspiratie voor Leeuwenveld II. Vijf stadse blokken zijn gesitueerd langs een ruggengraat van grachten en pleinen. Het ontwerp slaat een brug tussen het oude stadshart van Weesp en het omliggende poldergebied. De openbare ruimte die ontstaat, vormt een route van het centrum naar de polder langs water en groen. Verspreid over de wijk liggen werkwoningen en bedrijfsruimtes. Het woningaanbod heeft net als in het centrum een hoge dichtheid. Leeuwenveld II kent een diversiteit aan woningen, van grachtenpanden met grote vides tot twee-onder-een-kappers en splitlevelwoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0007.png"

Figuur 3.1.Impressie bebouwing Leeuwenveld II.

3.2 Huidige stedenbouwkundige en functionele structuur

Het plangebied bestaat uit grasland voor agrarische doeleinden. De graslanden worden begrensd en doorsneden door rechte waterlopen. In het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Op onderstaande figuur is een luchtfoto van de huidige situatie opgenomen, waarop de huidige structuur zichtbaar is. Ten oosten van de graslanden zijn de locaties Leeuwenveld I en II zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0008.png"

Figuur 3.2 Ruimtelijke structuur plangebied en omgeving.

Hoofdstuk 4 Plan

4.1 Stedenbouwkundig kader

Voor de ontwikkeling van het woongebied Leeuwenveld III en IV heeft de gemeenteraad op 10 mei 2012 een kader geamendeerd vastgesteld. Met het vaststellen van een (stedenbouwkundig) kader geeft de raad sturing aan de ontwikkeling van de locatie Leeuwenveld III en IV. Het kader vormt tevens de basis voor het bestemmingsplan.

  • 1. Parallel aan de Leeuwenveldseweg (zuidzijde van het plangebied) kan een mix aan eengezinshuizen en kleinschalige appartementen worden ontwikkeld in twee tot vier lagen, waarbij variatie in bouwhoogte en vormgeving het uitgangspunt is. Er mag geen gesloten wand ontstaan. Een maximale bloklengte van circa 25 m is acceptabel, een goede parcelering van de wand is uitgangspunt.
  • 2. In de noordwestelijke punt van het plangebied is ruimte voor een appartementengebouw in maximaal 5 lagen. Uitgangspunt daarbij is een appartementengebouw met een centrale ontsluiting (dus geen galerijflat).
  • 3. Aan de noordzijde van het plangebied is ruimte voor twee onder één kap, vrijstaande en (riante) geschakelde woningen in maximaal 3 lagen. De woningen moeten worden voorzien van een stevige kap. Blokjes van vier zouden hier ook een enkele keer toepasbaar zijn. Deze woningen zorgen voor de aansluiting met de Bloemendalerpolder.
  • 4. De woningen aan de oostzijde van het plangebied liggen langs de ontsluitingsweg van het gebied en de achtergelegen Bloemendalerpolder. Er moet voldoende ruimte zijn voor de aanleg van de weg gelet op het feit dat deze weg in de toekomst een belangrijke verkeersader in de Bloemendalerpolder zal zijn. De woningen moeten een 'voorname' uitstraling hebben en zijn uitgevoerd in maximaal 4 lagen. Variatie in vormgeving en maatvoering is uitgangspunt. Er mag geen aaneengesloten wand ontstaan van dezelfde woningen (de zogenaamde korrelgrootte dient bescheiden te zijn). Werken aan huis zou in deze laan mogelijk moeten zijn.
  • 5. De overige tussenliggende woningen zijn eengezinshuizen in maximaal 3 lagen. Zij dienen aan de voorzijde te grenzen aan een openbare ruimte. In die openbare ruimte moet voldoende speelgelegenheid zijn, moet gebruik gemaakt worden van kwalitatief goede materialen, is ruimte voor het bezoekersparkeren en is ruimte voor de overige openbare voorzieningen. Aan de achterzijde bevinden zich de tuinen, de bergingen en het bewonersparkeren.
  • 6. De hoeken van de verschillende bouwblokken verdienen extra aandacht. Blinde gevels op hoeken en het beeld van erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte moet zoveel mogelijk voorkomen worden.
  • 7. Het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de normen die zijn vastgelegd in de parkeernota. De parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk op de binnenhoven gesitueerd (oplossing zoals in Leeuwenveld II).
  • 8. Het in Leeuwenveld III en IV te realiseren woonprogramma moet aansluiten op de recent vastgestelde woonvisie. Een mix van doelgroepen met een accent op gezinnen is derhalve uitgangspunt.
  • 9. In algemene zin dient de bebouwing gekenmerkt te worden door warme kleuren baksteen en stevige kappen. De kappen zijn gemaakt van keramische pannen. De architectuurtaal is neutraal, eigentijds en toegankelijk. De openbare ruimte sluit qua sfeer en materiaalgebruik goed aan bij Leeuwenveld II. Een duurzaam ontwerp van de openbare ruimte is randvoorwaarde.
  • 10. Er moet ten aanzien van het te creëren wateroppervlakte minimaal voldaan worden aan de eisen van het Hoogheemraadschap.

4.2 Planbeschrijving

4.2.1 Planproces

Het plan is op basis van het stedenbouwkundig kader uitgewerkt in een stedenbouwkundig plan. Gedurende het planproces is op verschillende momenten overleg gevoerd tussen de ontwikkelende partij Blauwhoed, de gemeente Weesp, Waternet en adviseurs over de inrichting van het woongebied.

4.2.2 Stedenbouwkundige structuur

Het stedenbouwkundig plan is weergegeven in figuur 4.1. De verkaveling respecteert zowel de richting van de spoorbaan, de richting van het slotenpatroon in de Bloemendalerpolder en de stedenbouwkundige opzet van Leeuwenveld I en II. De woonblokken in noord-zuidrichting zijn zodanig opgezet, dat er doorzichten ontstaan tussen de Leeuwenveldseweg en de Bloemendalerpolder. De hoekverdraaiingen in de verkaveling in noord-zuidrichting vormen een speels accent in de stedenbouwkundige opzet van het woongebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0009.jpg"

Figuur 4.1 Mogelijke verkaveling Leeuwenveld III en IV ( bon: LEVS).

De woningen aan de zuidzijde zijn gericht op de waterpartij langs de zuidrand van het plangebied. De woningen aan de noordzijde zijn georiënteerd op de Bloemendalerpolder, waar in de toekomst mogelijk het woongebied Bloemendalerpolder wordt ontwikkeld.

In de westelijke punt is een accent voorzien in de vorm van een appartementenblok met maximaal 5 bouwlagen. De overige bebouwing bestaat uit bebouwing van 2 tot 4 bouwlagen, waarvan overwegend 3 bouwlagen.

4.2.3 Functionele structuur

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 6,9 hectare, waarvan circa 5,6 hectare is bestemd voor woongebied, inclusief ontsluitingswegen en water. Als uitgangspunt geldt een woningbouwdichtheid van 40 eenheden per hectare.

Het aantal nieuwbouwwoningen bedraagt maximaal 222, bestaande uit een ruime differentiatie aan woningen, uiteenlopend van rijwoningen, gestapelde woningen tot appartementen.

4.2.4 Verkeer en parkeren

Verkeer

Alle openbare wegen worden Duurzaam Veilig ingericht. Het verkeer van woongebied Leeuwenveld III en IV wordt door middel van een 50 km/u gebiedsontsluitingsweg ontsloten op de Leeuwenveldseweg. Ten zuidoosten van het plangebied wordt een rotonde op de Leeuwenveldseweg aangelegd, waardoor zowel het verkeer van en naar Leeuwenveld III en IV, alsook het verkeer van en naar Leeuwenveld I hier gebruik van kan maken. Daarnaast zal in de toekomst eventueel een deel van het verkeer van het woongebied Bloemendalerpolder hierop worden ontsloten. De aansluiting van Lobbrich Boudgerslaan op de Leeuwenveldseweg wordt afgesloten voor autoverkeer. De kantoren Leeuwenveldseweg krijgen een eigen verkeersaansluiting op de Leeuwenveldseweg ter hoogte van het benzinestation. Alle overige openbare wegen worden Duurzaam Veilig als erftoegangsweg ingericht.

Ten zuidwesten van het plangebied wordt een tijdelijke tweede T-aansluiting op de Leeuwenveldseweg aangelegd voor het verkeer van en naar Leeuwenveld III en IV. Na realisatie van de overige 50 km/u structuur in het plangebied Bloemendalerpolder op de Leeuwenveldseweg wordt deze tijdelijke aansluiting opgeheven en aangesloten op de westelijke 50 km/u structuur.

De interne ontsluitingsstructuur is erop gericht dat alleen bestemmingsverkeer het woongebied in- en uitrijdt. Op drie locaties vanaf de noordzijde zijn de woningen per auto bereikbaar. Er is geen autoverkeer tussen de deelgebieden in oost-west richting mogelijk. Hiervoor wordt direct ten noorden, buiten het plangebied Leeuwenveld III en IV een weg aangelegd. Om deze weg mogelijk te maken zal de ontwikkelaar een overeenkomst sluiten met de grondeigenaar. Op de grens van Leeuwenveld I en Leeuwenveld III en IV komt een 50 km/u gebiedsontsluitingsweg met aan beide zijden een vrijliggend éénrichtingsfietspad met laanbeplanting. Deze weg dient in de toekomst als ontsluiting van de Bloemendalerpolder. Op de overige wegen wordt het fietsverkeer gemengd met het autoverkeer afgewikkeld. Dit is conform de inrichting voor deze wegen.

Voor het bepalen van de verkeersaantrekkende werking vanwege de nieuwe woonwijk is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, oktober 2012). Het plangebied wordt getypeerd als een matig stedelijk gebied. Voor eengezinswoningen in het voorgenomen segment geldt een gemiddelde verkeersaantrekkende werking van 7,85 voertuigbewegingen per woning per dag. Het totaal aantal voertuigbewegingen komt hiermee uit op 1.740 per dag (222 x 7,85). De kengetallen uit de CROW-publicatie maken niet inzichtelijk op welke plaatsen dit verkeer precies toeneemt. Aangenomen mag worden dat de toename zich verspreidt over de verschillende wegen in de omgeving, zowel naar de kern Weesp als in de richting van de A1.

Parkeren

In het huidige plan worden maximaal 222 woningen voorzien, waarbij verschillende woningtypen mogelijk zijn. Bij elk woningtype is een parkeernorm bepaald, die onderstaand is weergegeven. Daarbij wordt ook rekening gehouden met bezoekersparkeerplaatsen:

  • 1. dure woningen: 1,7 parkeerplaatsen per woning;
  • 2. middeldure woningen: 1,5 parkeerplaats per woning;
  • 3. goedkope woningen: 1,2 parkeerplaats per woning;
  • 4. bezoekersparkeerplaatsen: 0,3 parkeerplaats per woning.

In de planregels (artikel 6.2.2) zijn bovenstaande parkeernormen opgenomen. Daarbij is bepaald dat een omgevingsvergunning (bouwen) uitsluitend kan worden verleend, indien uit de aanvraag om omgevingsvergunning blijkt dat voldoende parkeerruimte wordt gerealiseerd overeenkomstig deze parkeernormen. Daarbij is tevens aangegeven dat parkeerplaatsen op eigen terrein onafhankelijk van elkaar moeten worden gebruikt. Dat wil zeggen dat een carport met daarvoor een oprit niet kan worden meegeteld als twee parkeerplaatsen, maar als één parkeerplaats. Garages tellen niet mee als parkeerplaats. In het geval op eigen terrein twee parkeerplaatsen naast elkaar worden gerealiseerd, tellen deze wel mee als twee parkeerplaatsen.

Op bovenstaande wijze wordt in dit bestemmingsplan geregeld dat wordt voldaan aan de gestelde parkeernormen. Indien immers niet aangetoond kan worden dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, kan geen omgevingsvergunning verleend worden. Daarmee is geborgd dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, zonder op voorhand vast te leggen hoeveel parkeerplaatsen op welke wijze worden aangelegd. Dat past in de lijn van de flexibiliteit die met dit bestemmingsplan wordt geboden ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wat onder 'dure/middeldure en goedkope' woningen moet worden verstaan wordt bepaald aan de hand van de dan geldende woonvisie. Hierin zijn deze begrippen uitgelegd. Voor een nadere toelichting op dit punt wordt verwezen naar paragraaf 2.4.3.

Openbaar vervoer

In het plangebied bedraagt de loopafstand naar een bushalte nergens meer dan 400 meter.

4.2.5 Groen en water

Groen

De openbare ruimte vormt een belangrijke drager voor de stedenbouwkundige structuur. De groenvoorzieningen zijn geconcentreerd langs de weg in het noorden van het plangebied, langs de ontsluitingsweg aan de oostzijde van het plangebied en tussen de woonblokken in noord-zuidrichting. De groenplantsoenen in noord-zuidrichting vormen een natuurlijke scheiding tussen de woonblokken. In deze plantsoenen worden tevens speelvoorzieningen gerealiseerd.

Water

De waterpartij langs de zuidzijde van de woningblokken alsook de waterpartij aan de oostzijde vormen een afbakening van het woongebied Leeuwenveld III en IV. Naast de stedenbouwkundige functie zijn de waterpartijen nodig om te voldoen aan de waterbergingsopgave.

Hoofdstuk 5 Milieu- en gebiedsaspecten

5.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

5.1.1 Algemeen

De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Om de doelstellingen te bereiken wordt voor bepaalde projecten en plannen een milieueffectrapport (MER) opgesteld. Hierin wordt duidelijk welke milieueffecten verwacht worden van het project of plan.

In Nederland is m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in de uitvoeringswetgeving in de vorm van een Amvb (het Besluit milieueffectrapportage). In het Besluit m.e.r. is opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben. Ook kan er sprake zijn van een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor activiteiten die wel worden genoemd in het Besluit m.e.r., maar vanwege de omvang van de activiteit (onder de drempelwaarde) geen m.e.r.(beoordelings)plicht kent.

Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarde in onderdeel D . Dit betekent dat voor activiteiten die genoemd staan in het Besluit m.e.r. (bijvoorbeeld woningbouw, kantoren, bedrijven, recreatie, etc.) maar onder de gestelde indicatieve drempelwaarden zitten toch een beoordeling nodig is of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze beoordeling heet een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Inhoudelijk wordt getoetst aan dezelfde criteria als voor een m.e.r.-beoordeling (die uitgevoerd moet worden bij activiteiten uit onderdeel D die wel boven de drempelwaarden zitten) . De enige procedurele verplichting die geldt voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat het opgenomen moet worden in de toelichting van het betreffende besluit.

5.1.2 Onderzoek

De voorgenomen ontwikkelingen in het bestemmingsplan Leeuwenveld III en IV zijn getoetst aan de m.e.r.-regelgeving, zoals vastgelegd in de Wet Milieubeheer en het Besluit m.e.r. Plannen of besluiten leiden tot m.e.r.-verplichtingen als de voorgenomen ontwikkelingen in het plan of besluit opgenomen zijn in het besluit m.e.r. (op de zogenaamde C- of D-lijst) of als negatieve effecten op Natura 2000-gebied niet op voorhand uit te sluiten zijn en een passende beoordeling moet worden doorlopen in het kader van de Natuurbeschermingswet.

Om te bepalen of een activiteit m.e.r.-plichtig, m.e.r.-beoordelingsplichtig of vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig kan het onderstaande schema gebruikt worden. De voorgenomen activiteit, de ontwikkeling van Leeuwenveld III en IV, is opgenomen in onderdeel D onder categorie D 11.2 (zie tabel 5.1).

  Activiteiten   Gevallen   Besluit  
D 11.2   De aanleg, wijziging of ontwikkeling van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.   In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
1: een oppervlakte van 100 hectare of meer,
2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of
3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.  
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening à het bestemmingsplan  

Tabel 5.1: Besluit m.e.r., onderdeel D, categorie D 11.2:

De voorgenomen ontwikkeling valt niet onder de gevallen als genoemd in kolom 2. Omdat het een activiteit betreft die onder de drempelwaarde valt geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht. Derhalve kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Door Oranjewoud is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. De volledige rapportage is te vinden in bijlage 1. In het vervolg van dit hoofdstuk worden de afzonderlijke milieuaspecten nader toegelicht. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling komen geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling naar voren.

5.1.3 Conclusie

Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige nadelige milieueffecten veroorzaakt. Er bestaan geen verdere procedurele verplichtingen op het gebied van m.e.r.-regelgeving.

5.2 Bodem

5.2.1 Algemeen

De tijd dat elke vervuiling moest worden aangepakt ligt achter ons. Belangrijkste criterium hierbij is of de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico's voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico's te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico's (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen.

Op dit moment is er sprake van een omslag van saneren naar beheren en behoeven alleen de zogeheten "ernstige vervuilingen" in meer of mindere mate aangepakt te worden. De maatregelen worden daarbij afgestemd op de functie.

5.2.2 Regelgeving

Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan regelt de bestaande situatie. Wanneer ontwikkelingen zich voordoen dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

5.2.3 Onderzoek

In het verkennend bodemonderzoek NEN 5740 is de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied vastgesteld. Voor de toetsing van de waterbodemkwaliteit van de aanwezige sloten is een verkennend waterbodemonderzoek NEN 5720 uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 2 bij dit bestemmingsplan. Hieronder staan de belangrijkste resultaten weergegeven.

Landbodem

Ter plaatse van de puindammetjes is een (sterk veenhoudende) (baksteen)puinlaag aanwezig tot 0,3 à 0,8 m -mv. Hieronder bestaat de bodem over het algemeen tot de einddiepte uit veen en plaatselijk uit zand. Het mengmonster van de puindammetjes wordt op basis van de samenstelling (>50% bodemvreemd materiaal) niet tot de bodem gerekend en bevat (indicatief getoetst aan de Wet bodembescherming) licht verhoogde gehalten aan kwik, lood, molybdeen, zink en PAK. Visueel en analytisch is in het puinhoudende materiaal uit de dammetjes geen asbest aangetoond. Het veen onder de puinlaag bevat een licht verhoogd gehalte aan molybdeen.

De bodem op het overige terrein bestaat in het algemeen vanaf het maaiveld tot 0,4 à 0,5 m -mv. uit klei met daaronder veen tot de maximale boordiepte van circa 2,2 m -mv. In het opgegraven/opgeboorde materiaal zijn, met uitzondering van de puinhoudende lagen ter plaatse van de dammetjes, geen waarnemingen gedaan die mogelijk duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. De kleiige bovengrond bevat licht verhoogde gehalten aan koper, kwik en/of lood. In de venige ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan molybdeen gemeten.

In het grondwater zijn ten hoogste licht verhoogde gehalten aan barium, kobalt en/of nikkel gemeten.

Waterbodem

De waterdiepte bedraagt tussen 0,3 en 0,4 m. De sliblaag heeft een dikte variërend van 0,4 tot 0,8 m. De vaste waterbodem bestaat uit veen. Er zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op verontreiniging van de waterbodem. De baggerspecie wordt beoordeeld als verspreidbaar op het aangrenzende perceel. Op basis van de slibboringen kan geen uitspraak gedaan worden over de aanwezige hoeveelheid slib in de watergang.

5.2.4 Conclusie

Op basis van de onderzoeksresultaten (veldwaarnemingen en analyseresultaten) kan gesteld worden dat de (water)bodem ten hoogste licht verhoogde gehalten aan enkele onderzochte stoffen bevat. De gemeten gehalten vormen vanuit bodemhygiënisch oogpunt geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van en/of nieuwbouw op het terrein.

5.3 Archeologie, aardkundige waarden en cultuurhistorie

5.3.1 Archeologie

Regelgeving

Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag geratificeerd en geïmplementeerd in de Monumentenwet. Op 1 september 2007 is de wet als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. Bij ruimtelijke ingrepen worden de archeologische belangen in een vroeg stadium in de planvorming betrokken. Uitgangspunt bij de zorg voor archeologische waarden is het behoud in de bodem ter plekke en planologische bescherming van waardevolle archeologische vindplaatsen. Verder geldt het “veroorzakerprincipe”. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of voor een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische materiaal in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering.

Onderzoek

De gemeente Weesp beschikt over een archeologische beleidsadvieskaart (november 2012). Voor de gehele gemeente zijn de verwachtingen op archeologische vondsten bepaald aan de hand van de ontstaansgeschiedenis van Weesp en de landschappelijke en aardkundige kenmerken. Door de toepassing van kennis over de landschappelijke ligging van (pre)historische nederzettingen in het algemeen is het mogelijk gebieden te begrenzen waar geen archeologische vindplaatsen bekend zijn, maar waar ze verwacht kunnen worden. Bij het analyseren van deze verwachtingen wordt gebruik gemaakt van geomorfologische, bodemkundige en hydrologische kenmerken in combinatie met al bekende archeologische gegevens. Zo worden gebieden begrensd met hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting, waarbij in de gebieden met een hoge archeologische verwachting de kwantiteit aan archeologische waarden het hoogst is. Een lage archeologische verwachting wil niet zeggen dat er geen archeologische waarden zijn, maar dat er vermoedelijk weinig zullen zijn en dat de spreiding groot is en de onderlinge samenhang klein.

De analyse heeft geleid tot een kaart met de volgende archeologische verwachtingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0010.jpg"

Figuur 5.1: Archeologische waarden gemeente Weesp.

De archeologische verwachtingszones van de kaart met archeologische verwachtingen zijn vertaald naar een beleidskaart met daarop de specifieke zones en bijbehorende beleidsmaatregelen. Deze kaart geeft een schematisch inzicht in de maatregelen die nodig zijn voor de zorg voor het archeologisch erfgoed binnen bepaalde zones of locaties in Weesp.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0011.jpg"

Figuur 5.2: Archeologische beleidszones gemeente Weesp.

Het plangebied ligt in zone 7. Dit betekent dat voor het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde geldt. In beginsel behoeft voor de voorgenomen ontwikkeling daarom geen nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit is slechts aan de orde bij plannen met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en hieraan gekoppeld grondbewerkingen die dieper dan 4 meter beneden het maaiveld reiken. Omdat dit op voorhand niet geheel kan worden uitgesloten wordt in het bestemmingsplan een zogenaamde dubbelbestemming opgenomen. Hiermee is het thema archeologie voldoende geborgd.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan. Bij graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 4,0 m beneden maaiveld is een verkennend booronderzoek noodzakelijk is om de archeologische verwachting van het afgedekte deklandschap nader te specificeren. Ter borging hiervan is in de regels van het bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen (zie artikel7).

5.3.2 Aardkundige waarden

Regelgeving

Bescherming van aardkundige monumenten/waarden is vastgelegd in de provinciale Milieuverordening (tranche 7, hoofdstuk 6). In de PRVS wordt gesteld dat voor de gebieden die binnen de aanduiding 'Aardkundig monument' of 'Aardkundig waardevol gebied' zijn gelegen in de toelichting moet worden opgenomen op welke wijze in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de voorkomende bijzondere aardkundige waarden.

Resultaat

Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarin aardkundige monumenten en/of aardkundige waarden aanwezig zijn.

Conclusie

Het aspect aardkundige waarden vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

5.3.3 Cultuurhistorie

Regelgeving

Ter uitvoering van de eerste pijler van Modernisering Monumentenzorg (MoMo) is onder andere het Besluit ruimtelijke ordening aangepast. Per 1 januari 2012 schrijft artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, Bro voor dat gemeenten in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving geven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 

De Rijksoverheid wil er hiermee voor zorgen dat er in de monumentenzorg niet alleen oog is voor het monument zelf, maar ook voor de omgeving ervan en het gebied op zichzelf: het zogenaamde gebiedsgerichte erfgoedbeleid. Het kabinet heeft 5 prioriteiten in het gebiedsgerichte erfgoedbeleid:

  • Werelderfgoed: samenhang borgen, uitstraling vergroten
    De economische betekenis van het Nederlandse Werelderfgoed wordt vergroot door het toerisme te bevorderen.
  • Veiligheid en eigenheid zee, kust en rivieren
    Het Rijk start onder meer samen met de provincies een pilotproject Kust & Erfgoed.
  • Herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: focus op groei en krimp
    Er komt een pilotprogramma Gebiedsgerichte Erfgoedzorg & Krimp. Het behoud van historische gebouwen is belangrijk om krimpgebieden aantrekkelijk te houden.
  • Levend landschap: erfgoed, economie en ecologie brengen elkaar vooruit
    Het kabinet wil de ontwikkeling van cultureel erfgoed verbinden met opgaven als biodiversiteit en energietransitie.
  • Wederopbouw: tonen van een tijdperk
    De periode 1940-1965 moet herkenbaar aanwezig blijven in Nederland. Er zijn in deze periode veel innovaties ontwikkeld - massawoningbouw, standaardisering van het bouwproces, functiescheiding - die aandacht en bescherming verdienen.

Bij voorbereiding van een bestemmingsplan zullen gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een plangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden.

Resultaat

In het archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek van Archeologisch Adviesbureau RAAP (RAAP-rapport 2014, 2010) naar het plangebied Bloemendalerpolder, waar ook het plangebied Leeuwenveld III en IV deel van uitmaakt, zijn naast archeologische verwachtingen ook cultuurhistorische waarden geïnventariseerd. Het plangebied bevindt zicht in de Vechtstreek die zich kenmerkt door de weidsheid van het polderlandschap waarin de ontginnings- en bewoningsgeschiedenis bijna perfect leesbaar is. In grote lijnen is het laat-middeleeuws landschap nagenoeg onaangetast en kan het dienen als inspiratie voor de inrichting van het gebied. Aan de vrij 'rommelige' maar gave verkaveling van de Bloemendalerpolder is daarom een hoge waardering toegekend. Wel wordt opgemerkt dat deze door de aanwezigheid van de A1, de spoorlijn en een nieuwbouwwijk wel enigszins is aangetast, en dat de zeldzaamheid van een dergelijke verkaveling niet groot is. Het plangebied grenst direct aan de spoorlijn en (in ontwikkeling zijnde) nieuwbouwijk. De provincie Noord-Holland gaat vooral uit van 'behoud door ontwikkeling'. In het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden kunnen daarom bijvoorbeeld geïntegreerd worden in ontwikkelingen zodat ze zichtbaar blijven.

In het plangebied bevinden zich geen rijks- en gemeentelijke cultuurhistorisch waardevolle elementen. Dat blijkt uit de onlangs door de provincie opgestelde "Informatiekaart landschap en cultuurhistorie", die informatie geeft over onder andere cultuurhistorische objecten, molens en militaire structuren. De Informatiekaart landschap en cultuurhistorie betreft een herziening van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

5.4 Akoestiek

5.4.1 Algemeen

Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Dit leidt tot steeds meer klachten. In een aantal gevallen wordt de gezondheid beïnvloed door geluid. Hoge geluidsniveaus kunnen het gehoor beschadigen en ook de verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. Door de toename van het geluid in de omgeving, wordt de behoefte aan stilte steeds meer als een noodzaak gevoeld.

5.4.2 Regelgeving/ beleid

De Wet geluidhinder, de Luchtvaartwet en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang.

Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidssituatie in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk:

  • wegverkeerslawaai;
  • Railverkeerslawaai;
  • industrielawaai;
  • vliegtuiglawaai.

Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet. Er liggen geen geluidszones van het vliegtuiglawaai over het plangebied, waardoor deze niet nader beschouwd wordt. Ook is het plangebied niet gelegen binnen een geluidszone van industrielawaai. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt daarom uitsluitend ingegaan op de aspecten wegverkeerslawaai en spoorlawaai.

5.4.3 Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg. Met het onderzoek moet inzichtelijk worden wat het geluidseffect is vanwege de nieuwe ontsluitingsweg op omliggende bestaande woningen.

De berekeningsresultaten op de nieuw te bouwen woningen en bestaande woningen zijn getoetst aan de volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geldende grenswaarden. Wanneer de in de Wgh gestelde grenswaarden worden overschreden, is beoordeeld of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn en/of er een hogere grenswaarde moet worden vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders

De resultaten van het onderzoek staan beschreven in het rapport: Akoestisch onderzoek Leeuwenveld III en IV (Oranjewoud, revisie 6, 24-12-2014). In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek kort beschreven. Het volledig onderzoek is opgenomen in bijlage 3.

Wegverkeerslawaai

Planontwikkeling

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Leeuwenveldseweg ten hoogste 58 dB bedraagt, waarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximaal te ontheffen geluidbelasting van 63 dB wordt echter niet overschreden. Ook is er een overschrijding op de gestelde grenswaarde van 53 dB, waardoor de gemeente Weesp akoestische compenserende maatregelen als randvoorwaarde stelt bij het eventueel vaststellen van hogere waarden.

De geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de nieuw aan te leggen Ontsluitingsweg bedraagt ten hoogste 54 dB ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen, waarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximaal te ontheffen geluidbelasting van 58 dB wordt echter niet overschreden. Voor 4 bouwblokken is er sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde en tevens wordt ook de grenswaarde van 53 dB op grond van het hogere waardenbeleid van de gemeente Weesp overschreden. Dit betekent dat bij het vaststellen van hogere waarden akoestisch compenserende maatregelen als randvoorwaarde worden gesteld.

Woningen Leeuwenveld I

Uit de berekeningsresultaten volgt dat de geluidbelasting vanwege de nieuw aan te leggen Ontsluitingsweg op bestaande woningen aan de Lobbrich Boudgerslaan ten hoogste 48 dB bedraagt. Voor de bestaande woningen wordt daarmee aan de geluidgrenswaarden ingevolge de Wgh voldaan.

Maatregelen en hogere waarden

Het toepassen van een snelheidsverlaging op de Leeuwenveldseweg naar maximaal 50 km/uur geeft een reductie van 2 tot 3 dB. Vanwege de geluidreductie die met deze bronmaatregel kan worden behaald en de relatief gezien geringe kosten voor realisatie van deze maatregel, wordt toepassing van deze maatregel doelmatig geacht. Het toepassen van het stillere asfalttype ZSA-SD over een traject van circa 150 meter op de Ontsluitingsweg geeft een reductie van 2 tot 3 dB. Vanwege de geluidreductie die met deze bronmaatregel kan worden behaald en de relatief gezien geringe kosten voor realisatie van deze maatregel, wordt toepassing van deze maatregel eveneens doelmatig geacht.

Bronmaatregelen met betrekking tot het toepassen van stiller wegdek op de Leeuwenveldseweg worden vanuit de effectiviteit in geluidreductie en financieel oogpunt niet doelmatig geacht. Toepassen van een geluidscherm heeft een grote ruimtelijke impact vanwege het relatief hoge geluidscherm dat benodigd is. Overdrachtsmaatregelen in de vorm van een geluidscherm worden derhalve vanuit stedebouwkundig oogpunt niet doelmatig geacht.

Het binnenmilieu wordt beschermd door de eisen opgelegd vanuit het Bouwbesluit. De geluidwering van de gevel dient zodanig te zijn dat het resulterende geluidniveau in de woningen niet meer bedraagt dan 33 dB.

In het kader van het aanvragen van een omgevingsvergunning èn gelet op de voorgenomen samenstelling van de uitwendige scheidingsconstructie van de nieuw te realiseren bebouwing, dient te worden beoordeeld of met de beoogde (bouw)materialen kan worden voldaan aan de aanvullende eis betreffende het ten hoogst toelaatbare binnenniveau voor de woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen.

Gelet op de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege het wegverkeer op de Leeuwenveldseweg en de Ontsluitingsweg, is het aan het college van Burgemeester en Wethouders om een hogere waarde te verlenen. Een hogere waarde kan, op grond van het uitgevoerde akoestisch onderzoek, verleend worden bij toepassing van de maatregel om de rijsnelheid op de gehele Leeuwenveldseweg naar maximaal 50 km/uur te verlagen. Daarnaast wordt voor alle bouwblokken voldaan aan het criterium van een geluidluwe gevel op grond van het hogere waarden beleid van de gemeente Weesp.

Railverkeerslawaai

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 55 dB op 10 van de 25 bouwblokken wordt overschreden. De geluidbelasting vanwege het railverkeer op het traject bedraagt ten hoogste 65 dB. De maximaal toelaatbare hogere grenswaarde van 68 dB wordt derhalve niet overschreden. Wel is er een overschrijding op de gestelde grenswaarde van 60 dB, waardoor gemeente Weesp akoestische compenserende maatregelen als randvoorwaarde stelt bij het eventueel vaststellen van hogere waarden.

Maatregelen en hogere waarden

Bronmaatregelen met betrekking tot het reduceren van de geluidbelasting vanwege railverkeer zijn onvoldoende doelmatig en worden vanwege de relatief hoge kosten ten opzichte van het zeer geringe effect niet toegepast. Op basis van een eerder uitgevoerd onderzoek door Arcadis is bestuurlijk overeengekomen om schermen met een hoogte van 3,0 meter hoogte (ten opzichte van bovenkant spoor) te realiseren. Toepassing van dit scherm is in onderhavig onderzoek als uitgangspunt gehanteerd.

Het binnenmilieu wordt beschermd door de eisen opgelegd vanuit het Bouwbesluit. De geluidwering van de gevel dient zodanig te zijn dat het resulterende geluidniveau in de woningen niet meer bedraagt dan 33 dB.

In het kader van het aanvragen van een omgevingsvergunning èn gelet op de voorgenomen samenstelling van de uitwendige scheidingsconstructie van de nieuw te realiseren bebouwing, dient te worden beoordeeld of met de beoogde (bouw)materialen kan worden voldaan aan de aanvullende eis betreffende het ten hoogst toelaatbare binnenniveau voor de woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen.

Gelet op de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB vanwege het railverkeer op traject 373, is het aan het college van Burgemeester en Wethouders om een hogere waarde te verlenen. Een hogere waarde kan op grond van het akoestisch onderzoek verleend worden, omdat het niet aannemelijk is dat het toepassen van aanvullende bronmaatregelen en/of overdrachtsmaatregelen doelmatig is en bezwaren ondervinden van stedenbouwkundige aard.

Akoestisch compenserende maatregelen

Indien de hogere waarden voor het plangebied worden verleend, dan dient de initiatiefnemer voor de woningen met een geluidbelasting hoger dan 53 dB wegverkeerslawaai en 60 dB railverkeerslawaai rekening te houden met akoestisch compenserende maatregelen:

  • Een 'privé buitengebied' (een tuin of balkon) aan de geluidluwe kant van het huis, tenzij andere overwegingen als zonligging en uitzicht een “privé buitengebied” aan de geluidbelaste zijde aantrekkelijker maken. In dat geval dient ter compensatie, de geluidluwe gevel voorzien te zijn van ruime mogelijkheid om geveldelen te openen (zoals franse balkons). Tevens dient in dat geval te worden voorzien in een gemeenschappelijke tuin/buitenruimte aan de geluidluwe zijde.
  • Akoestisch gunstige indeling van de woning. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
    • 1. Tenminste 1 zijde van de woonkamer aan de geluidluwe gevel;
    • 2. Slaapkamers zo veel mogelijk aan de geluidluwe gevel;
    • 3. Keuken, badkamer en werkkamers zo veel mogelijk aan de geluidbelaste zijde.

Gevelgeluidwering

Het binnenmilieu wordt beschermd door de eisen opgelegd vanuit het Bouwbesluit. De geluidwering van de gevel dient zodanig te zijn dat het resulterende geluidniveau in de woningen niet meer bedraagt dan 33 dB.

In het kader van de procedure hogere waarde èn gelet op de voorgenomen samenstelling van de uitwendige scheidingsconstructie van de nieuw te realiseren bebouwing dient te worden beoordeeld of met de beoogde (bouw)materialen kan worden voldaan aan de aanvullende eis betreffende het ten hoogst toelaatbare binnenniveau voor de woningen.

Bij de bepaling van de noodzakelijke maatregelen dient te worden voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit met betrekking tot de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie en de ventilatie.

5.4.4 Conclusie

Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling van Leeuwenveld III en IV vanuit akoestisch oogpunt mogelijk is. Omdat de voorkeursgrenswaarde op meerdere plekken in het plangebied wordt overschreden, zijn hogere waarden verleend. Aan dit besluit zijn een aantal voorwaarden gekoppeld (geluidluwe gevel, geluidluwe buitenruimte etc), die in de regels van dit bestemmingsplan zijn verwerkt.

5.5 Luchtkwaliteit

5.5.1 Algemeen

Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse.

5.5.2 Regelgeving

De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden.

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m².

Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen.

Naast bovenstaande is het van belang vanuit het beginsel van een goede ruimtelijke ordening in beeld te brengen of een gebied geschikt is voor de beoogde functie. Een goede luchtkwaliteit is een van de randvoorwaarden voor een goede leefomgeving. Daarom is het wenselijk om inzicht te hebben in de feitelijke luchtkwaliteitsituatie.

5.5.3 Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 222 woningen. Hiermee valt deze ontwikkeling binnen de regeling Niet In Betekenende Mate bijdragen. De realisatie van 222 woningen valt ruimschoots binnen het gestelde maximum van 1500 woningen bij één ontsluitingsweg.

Op basis van de grootschalige basiskaart luchtkwaliteit van het RIVM en de NSL-monitoringstool kan een inzicht verkregen worden in de feitelijke luchtkwaliteit op lokaal niveau. De kaart van het RIVM is gebaseerd op metingen, gecombineerd met modelberekening. Met deze kaart wordt met vlekken een gemiddelde weergegeven van de luchtkwaliteit. Met de NSL-monitoringstool wordt daarnaast de luchtkwaliteit nabij (lokale) bronnen in beeld gebracht. Het blijkt dat de afgelopen jaren nergens in Weesp de grenswaarden als gesteld in de Wet milieubeheer zijn overschreden. Voor zover overzien kan worden is er geen aanleiding om aan te nemen dat grenswaarden in de toekomst wel worden overschreden. Daarmee kan worden voldaan aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening.

5.5.4 Conclusie

Het voorgenomen plan betreft een project 'Niet In Betekenende Mate'. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

5.6 Bedrijven en milieuzonering

5.6.1 Algemeen

De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering.

5.6.2 Regelgeving

Ten behoeve van milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot woongebieden.

In de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld:

  • categorie 1 grootste afstanden 0 en 10 meter;
  • categorie 2 grootste afstand 30 meter;
  • categorie 3 grootste afstanden 50 en 100 meter;
  • categorie 4 grootste afstanden 200 en 300 meter;
  • categorie 5 grootste afstanden 500, 700 en 1000 meter.

De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning.

De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief gezien worden. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer.

5.6.3 Onderzoek

Voor de in het plangebied aanwezige bedrijfsactiviteiten wordt gebruik gemaakt van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze lijst is gebaseerd op de uitgave van VNG 'bedrijven en milieuzonering'. Aanwezige bedrijfsactiviteiten nabij het plangebied worden in voorliggend bestemmingsplan ingeschaald volgens deze staat. Om milieuhinder als gevolg van de bedrijfsactiviteiten al in het ruimtelijk spoor te voorkomen, worden grenzen gesteld aan de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten.

Bedrijvigheid

Gelet op het woonkarakter van het plangebied dient voorkomen te worden dat overlast veroorzaakt wordt. Daarom zijn uitsluitend bedrijven toegestaan die uit het oogpunt van hinder passen binnen de omgeving waar ze zich bevinden (milieucategorie 1 of 2). Categorie 1- en 2-bedrijven kunnen, gelet op hun aard en invloed op de omgeving, worden toegelaten naast en tussen woningen en kwetsbare gebieden. Binnen het plangebied worden alleen bedrijven aan huis toegestaan. Het vestigen van andere bedrijven waarvoor een omgevingsvergunning (activiteit milieu) nodig is, dan wel een vergunning op grond van de APV, is niet toegestaan.

Ten zuidoosten van het plangebied ligt een spoorstation. Het station is gecategoriseerd in categorie 3.2 met een milieuzone van 100 m (SBI 491, 492) VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). Het plangebied bevindt zich buiten deze zone.

Nabij het plangebied bevindt zich tevens een tankstation met de verkoop van LPG. Het tankstation is gecategoriseerd als een 3.1 inrichting, met milieuzone van 50 m (SBI 473, nummer 2). Maatgevend is het aspect gevaar. De milieucontour is hierop afgestemd. Vanuit de externe veiligheidsregelgeving gelden nauwkeuriger normen. Voor de onderhavige inrichting geldt een risicocontour van 45 m waarbinnen geen gevoelige objecten zoals woningen mogen worden gebouwd. In de planontwikkeling en het bestemmingsplan is hiermee rekening gehouden. In paragraaf 5.9 wordt nader op het thema externe veiligheid ingegaan.

5.6.4 Conclusie

Het aspect milieuhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

5.7 Water

5.7.1 Algemeen

Voor de ontwikkeling van Leeuwenveld III en IV wordt het proces van de watertoets doorlopen. In de watertoets worden de huidige en toekomstige situatie en de benodigde maatregelen om het watersysteem te laten voldoen aan de lokale, regionale en landelijke normering toegelicht. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 4 bij dit bestemmingsplan. Hieronder staan de belangrijkste resultaten weergegeven.

5.7.2 Beleid / regelgeving

Rijk

Nationaal Bestuursakkoord Water

In 2003 sloten Rijk , Interprovinciaal Overleg, Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Dit akkoord is te beschouwen als het bestuurlijke antwoord op het rapport WB21. In het akkoord zijn maatregelen afgesproken met als doel het watersysteem in 2015 'op orde' te hebben. In het bestuursakkoord zijn taakstellende afspraken opgenomen over veiligheid en wateroverlast. Ook is een impuls gegeven aan het gebruik van de watertoets. De watertoets zorgt voor een vroegtijdige afstemming tussen ruimtelijke plannen en de waterhuishouding.

In 2011 is een nieuw akkoord afgesloten door de koepels. De essentie van dit nieuwe akkoord is een doelmatig beheer en meer samenwerking tussen beheerders in de waterketen en kostenbesparingen door grotere efficiëntie en effectiviteit.

In onderhavig bestemmingsplan is een waterparagraaf opgenomen waarin is beschreven wat de gevolgen voor de waterhuishouding zijn en hoe water is vastgelegd in dit bestemmingsplan. Hiermee wordt voldaan aan de eisen het NBW uit 2003.

Kaderrichtlijn Water

Door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft Nederland een resultaatsverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit èn ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-stille principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen.

Provincie

Waterplan 2010-2015

De provincie heeft haar waterbeleid samengevat in het Waterplan 2010-2015. In dit plan worden vier uitgangspunten gehanteerd:

  • Klimaatbestendig waterbeheer.
  • Water medesturend in de ruimte.
  • Centraal wat moet, decentraal wat kan.
  • Gebiedsgerichte en resultaatgerichte benadering.

Voor het plangebied betekent dit met name dat rekening moet worden gehouden met extremere klimaatscenario's en dat om verdroging tegen te gaan zoveel mogelijk water in de bodem moet worden teruggebracht. Tegelijkertijd moet rekening worden gehouden met intensievere neerslaggebeurtenissen om overlast in extreme situaties te voorkomen.

Hoogheemraadschap

Waterbeheerplan AGV 2010-2015

Het Algemeen Bestuur keurde het Waterbeheerplan AGV 2010-2015 op 17 juni 2010 goed. Dit is het eerste waterbeheerplan van het waterschap in de nieuwe zesjarige waterplancyclus van rijk, provincie en waterschap. Het waterbeheerplan heeft als titel: 'Werken aan water, in en met de omgeving'.

Het waterbeheerplan gaat in op de hoofdtaken van het waterschap: veiligheid, voldoende water, schoon water. Ook wordt aandacht gegeven aan de maatschappelijke (neven)taken: nautisch en vaarwegbeheer, recreatief medegebruik, natuurbeheer en cultuurhistorische, landschappelijke en architectonische waarden.

Voor elk van deze thema's is aangegeven wat het wensbeeld is op de middellange termijn, wat de doelen zijn en de aanpak op hoofdlijnen is en op welke indicatoren de resultaten van dat taakveld zullen worden beoordeeld. In het plan zijn voor de gemeente Weesp geen specifieke actiepunten opgenomen.

Het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht stelt in haar beleidsregel “Aanleg van verhard oppervlak” dat voor verharding van meer dan 1.000 m² stedelijk gebied het waterschap een vergunning kan verlenen wanneer 10 tot 20% van de  toename van het verharde oppervlak als extra oppervlaktewater ingericht wordt. Het bestaande te dempen oppervlaktewater dient volledig te worden gecompenseerd.

Bij het vaststellen van het nieuwe oppervlaktewaterpeil dient met het volgende rekening gehouden te worden. Het gebied dient nu en in de toekomst af te wateren via het noordelijk plangebied. In de toekomst krijgt dit gebied een zomerpeil van 2.00 m – NAP en een winterpeil van 2.30 m –NAP. Het huidige peil van het noordelijk plangebied wijkt hiervan af met een peil van NAP -1,85 m.

Daarnaast moet de verharding zo zijn aangelegd dat hemelwater gecontroleerd kan afstromen naar open water of bergingsvoorziening(en) en moet de compensatie plaatsvinden in het zelfde peilgebied als de verharding. Bovendien is het vereist dat de aanleg van water plaatsvindt vóór de aanleg van verharding.

Gemeente

Nota afmeer- en steigerbeleid 2010

Een stad (en woningen) aan het water leidt tot de aanwezigheid van boten. Om wildgroei aan boten en steigers op de diverse locaties te voorkomen heeft de gemeente een afmeer- en steigerbeleid vastgesteld. In het voorliggende bestemmingsplan wordt in beginsel de mogelijkheid geboden per woning één steiger aan te leggen met een oppervlakte van 6 m2. De steiger mag niet verder dan 1,5 uit de oever reiken.

Waterplan Weesp

Het waterplan Weesp is in 2006 gestart en moest tot een gezamenlijk plan voor het verbeteren van de uitvoering van watertaken leiden. Het moest knelpunten in het functioneren van de waterhuishouding oplossen en de samenwerking versterken. Die doelstelling is behaald. Het Hoogheemraadschap en de gemeente zijn gezamenlijk tot helderheid over taken en verantwoordelijkheden gekomen en hebben draagvlak en oplossingen gevonden om het watersysteem beter te laten functioneren. Gezamenlijk is de conclusie getrokken dat het opstellen van een formeel waterplan niet noodzakelijk is. Er is bij gemeente en het waterschap geen behoefte (meer) aan een rapportage waterplan Weesp.

Uit het proces zijn de onderstaande opgaven naar voren gekomen:

1) In 2007 is vastgesteld dat in Weesp dusdanige peilstijgingen optreden dat NBW-normen worden overschreden (gerapporteerd in de DB-vergadering van 17 juli 2007). Dit betekent een wateropgave om binnen de normen te komen. Over het algemeen moet hiertoe extra wateroppervlak worden gerealiseerd. In het overleg tussen AGV en Weesp is gebleken dat de oplossing ook kan worden gerealiseerd door keuzes en aanpassingen bij geplande rioleringsmaatregelen en nieuwbouwplannen (adviezen aan derden). De enige nog uit te voeren maatregel (verplaatsen overstort) is geborgd in de aan gemeente verstrekte Wvo-vergunning.

2) Het gemaal van de gemeente Weesp voor het (onder)bemalen van het Noord (externe lozing op de boezem) is toe aan vervanging.

Gemeentelijk Rioleringsplan Weesp (versie III 2007-2012)

Dit strategische beleidsdocument heeft tot doel de samenhang tussen de verschillende activiteiten op het gebied van stedelijk (afval)water en rioleringen en de daarvoor benodigde kosten te verduidelijken. De belangrijkste doelen in het plan zijn:

  • doelmatige inzameling van al het afvalwater,
  • doelmatig transport naar de zuiveringsinrichting,
  • voorkomen van vuiluitworp naar het oppervlaktewater,
  • voorkomen van vuiluitworp naar bodem en grondwater,
  • voorkomen van wateroverlast.

De gemeente Weesp heeft in het Gemeentelijk Rioleringsplan vastgelegd dat ruim 350.000 m2 verhard oppervlak wordt afgekoppeld. Dit heeft tot gevolg dat de vervuiling door riooloverstorten van de gemengde riolering aanzienlijk worden verminderd.

 

Vanaf 2009 mag er niet meer ongezuiverd geloosd worden. Dit houdt in dat er ook in het gebied buiten de bebouwde kom riolering moet worden aangelegd, dan wel dat er – mits daarvoor ontheffing is verleend door de provincie – individuele oplossingen (in de vorm van moderne septic tanks) worden gerealiseerd.

De gemeente heeft in 2008 alle woonschepen in de Vecht, alsmede de direct nabijgelegen woningen, een aansluiting op het rioleringssysteem geboden.

5.7.3 Kenmerken van het watersysteem

Volgens de nieuwbouwplannen voor de locatie Leeuwenveld III en IV worden maximaal 222 woningen gerealiseerd. Daarnaast wordt rekening gehouden met de aanleg van een ontsluitingsweg. De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt circa 6,9 hectare, waarvan circa 3,8 hectare verhard oppervlak wordt aangelegd. In figuur 5.3 is een proefverkaveling van het plangebied weergegeven. Dit betreft geen eindbeeld, maar een mogelijke verkaveling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0012.png"

Figuur 5.3: Mogelijke verkaveling Leeuwenveld III en IV (bron: LEVS).

Hierbij dient een tweetal zaken opgemerkt te worden: allereerst is er een verschil tussen het plangebied als opgenomen in het stedenbouwkundig plan en het bestemmingsplan. Het stedenbouwkundig plan ziet toe op het plangebied zoals weergegeven in figuur 4.1. Het bestemmingsplan heeft daarnaast betrekking op de aan te leggen ontsluitingswegen richting het woongebied en beslaat dus een groter oppervlak. De watertoets wordt opgesteld in het kader van het bestemmingsplan en heeft dus betrekking op het grotere oppervlak. Daarnaast biedt het bestemmingsplan de flexibiliteit om een andere verkaveling dan opgenomen in het huidige stedenbouwkundige plan mogelijk te maken. In die zin bestaat dus ook de mogelijkheid dat het aan te leggen verhard oppervlak meer of minder wordt. In onderstaande berekening worden de huidige stedenbouwkundige uitgangspunten aangehouden. Als deze uitgangspunten wijzigen dient ook de berekening gewijzigd te worden om na te gaan of nog voldaan kan worden aan de eisen van het waterschap. Het betreft in eerste instantie dus een voorbeeldberekening.

Het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht stelt in haar beleidsregel “Aanleg van verhard oppervlak” dat voor verharding van meer dan 1.000 m² stedelijk gebied het waterschap een vergunning kan verlenen wanneer 10 tot 20% van de  toename van het verharde oppervlak als extra oppervlaktewater ingericht wordt. Het bestaande te dempen oppervlaktewater dient volledig te worden gecompenseerd.

Het plangebied kent een totale oppervlakte van circa 6,9 hectare. In de bestaande situatie is 4.420 m2 water aanwezig. De rest van het plangebied is onverhard. In de toekomstige situatie wordt 35.710 m2 van het plangebied verhard. Daarbij is rekening gehouden met de noordelijke ontsluitingsweg. Omdat deze ook dient als toekomstige ontsluiting voor de Bloemendalerpolder, wordt de helft van het wegoppervlak (2.030 m2) meegenomen in onderstaande berekening. Van de aan te leggen verharding dient een gebied gelijk aan 10 - 20 % van het verhard oppervlak als extra oppervlaktewater gecompenseerd te worden. Verder wordt 2.181,5 m2 van het bestaande water gedempt. Dit dient voor 100% gecompenseerd te worden. Wanneer deze cijfers naast elkaar gezet worden kan de compensatie opgave in beeld gebracht worden. In onderstaande tabel is deze overzichtelijk weergegeven.

Tabel 4.1: Totaal te compenseren oppervlaktewater

  Oppervlakte huidige situatie (m2)   Oppervlakte toekomstige situatie (m2)   Benodigde compensatie (%)   Benodigde compensatie (m2)  
Verhard   0   35.710   10   3.571  
Water   4.420        
Te dempen water     2.181,5   100   2.181,5  
      TOTAAL TE COMPENSEREN   5.752,5  

Uit de toename in verhard oppervlak en de afname van oppervlaktewater als gevolg van demping van sloten komt een totaal de compenseren wateroppervlak van 5.752,5 m2 naar voren. In de toekomstige situatie wordt 5.720 m2 nieuw oppervlaktewater gerealiseerd. In de voorbeeldberekening wordt daarmee op hoofdlijnen voldaan aan de eisen van het Waterschap.

Het bestemmingsplan voorziet op twee manieren in de mogelijkheden voor watercompensatie. Enerzijds wordt de bestemming 'Water' toegevoegd en zijn ook binnen de bestemmingen 'Verkeer - Verblijf' en 'Woongebied' watervoorzieningen of -gangen mogelijk. Daarnaast worden in de bestemmingen 'Woongebied' en 'Verkeer-Verblijf' voorwaardelijke verplichtingen opgenomen, waarmee de watercompensatie bij toename van verhard oppervlak (minimaal 10%) en bij demping (100%) juridisch afdwingbaar worden vastgelegd in de regels.

Het bestemmingplan biedt voldoende ruimte om watercompensatie mogelijk te maken. De definitieve situatie wordt uitgewerkt en getoetst voor de aanvraag van een watervergunning.

Oppervlaktewater

Het Waterschap heeft de voorkeur uitgesproken het gebied deel uit te laten maken van het bestaande peilgebied in de Bloemendalerpolder. In de toekomst zal in dit gebied een flexibel peil gehanteerd worden met een bovengrens van NAP -2,0 m en een ondergrens van NAP -2,30 m. Bij brief gedateerd 31 juli 2013 heeft het Waterschap aangegeven dat voor Leeuwenveld III en IV in principe uit moet worden gegaan van het huidige peil van NAP -1,85. In het plangebied worden langs de oost- en zuidgrens watergangen aangelegd / verbreed. Deze watergangen zijn op de verbeelding van het bestemmingsplan voorzien van de bestemming 'Water', dit om de aanleg hiervan te borgen. De watergangen kunnen aan beide zijden van het plangebied afwateren. Zowel bij het huidige peil als bij aansluiting op de Bloemendalerpolder met een lager peil blijft afvoer van overtollig water mogelijk. Bij afvoer middels een overstort is de locatie van hemelwater afvoerpunten van belang om doorstroming te garanderen. De watergangen hebben voldoende breedte en diepte om een goede waterkwaliteit te garanderen.

Het onderhoud van de watergangen kan vanaf de Leeuwenveldseweg/nieuwe ontsluitingsweg plaatsvinden. Afhankelijk van de uiteindelijke breedte van de nieuwe watergangen zal het onderhoud varend moeten worden gedaan. In dat geval moet rekening worden gehouden met een boot inlaat plaats, een opstel plaats voor het verwijderen van het maaisel en voldoende keermogelijkheden voor de boot.

Grondwater

In de huidige situatie zijn de grondwaterstanden relatief ondiep, de gemiddeld hoogste grondwaterstand is minder dan 0,40m –mv. Voor de aanleg van de nieuwbouwwijk zal de grond in het gebied echter verbeterd en verhoogd worden. Hiermee kan voldoende drooglegging gecreëerd worden om grondwateroverlast te voorkomen. Omdat de waterpeilen in de Bloemendalerpolder lager (komen te) liggen dan het huidige peil ter plaatse van Leeuwenveld heeft dit geen negatieve gevolgen voor de drooglegging en kan het plangebied te allen tijde nog ingepast worden in de Bloemendalerpolder.

Riolering

De riolering in de nieuwbouwwijk Leeuwenveld III en IV dient een verbeterd gescheiden rioleringsstelsel te zijn of een gelijkwaardig alternatief, zoals voorgeschreven in het gemeentelijke rioleringsplan van de gemeente Weesp.

5.7.4 Afstemming met het bestemmingsplan

De voorgenomen ontwikkeling is vervat in een globaal bestemmingsplan. Het bestemmingsplan legt daarmee niet één plan vast, maar biedt de mogelijkheid om verschillende inrichtingen mogelijk te maken. Uit een indicatieve berekening van de toename van verhard oppervlak/demping van sloten enerzijds en nieuw aan te leggen water anderzijds, blijkt dat de ontwikkeling waterneutraal is. Er wordt met andere woorden voldaan aan de regels van het Waterschap. Gelet op het globale karakter van het bestemmingsplan, is het niet wenselijk de nieuw aan te leggen/verbreden waterpartijen exact vast te leggen. Ter borging van de belangen van het Waterschap is er daarom voor gekozen het beleid van het Waterschap in de regels vast te leggen (100% compensatie bij dempen / 10-20% compensatie bij aanleg extra verharding). De aanleg van het gebied kan geen doorgang vinden als hieraan niet wordt voldaan.

5.7.5 Conclusie

De ontwikkeling van Leeuwenveld II en III omvat een programma van maximaal 222 woningen met de daarbij behorende ontsluitingswegen. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 6,9 hectare. In de toekomstige situatie wordt circa 3,8 hectare verhard.

Het Waterschap stelt als randvoorwaarde dan 10-20% van de toename van verhard oppervlak gecompenseerd moet worden met open water. Daarnaast moeten bestaande watergangen die worden gedempt voor 100% worden gecompenseerd. Voorts geldt dat verharding zo moet zijn aangelegd dat hemelwater gecontroleerd kan afstromen naar open water of bergingsvoorziening(en) en moet de compensatie plaatsvinden in het zelfde peilgebied als de verharding. Bovendien is het vereist dat de aanleg van water plaatsvindt vóór de aanleg van verharding.

In de toekomstige situatie wordt circa 5.720 m2 nieuw oppervlaktewater gerealiseerd. Deze berekening is gebaseerd op de uitgangspunten uit het huidige stedenbouwkundige plan. Het is mogelijk dat deze uitgangspunten nog wijzigen. Het betreft daarom een voorbeeldberekening. In deze voorbeeldberekening wordt op hoofdlijnen voldaan aan de eisen van het waterschap. De inrichting van het plangebied met een brede watergang aan de zuidzijde van het plan biedt voldoende ruimte om de watercompensatie op de definitieve inrichting af te stemmen. Bij de aanvraag voor een watervergunning wordt de definitieve situatie (nogmaals) getoetst.

Een belangrijke ontwikkeling in het gebied is het voornemen van het waterschap om in de Bloemendalerpolder een flexibel oppervlaktewaterpeil in te stellen, waarbij het waterpeil mag fluctueren tussen -2,0 m en -2,30 m NAP. Voor het plangebied Leeuwenveld III en IV heeft het Waterschap aangegeven dat in principe uit moet worden gegaan van het huidige waterpeil van NAP -1,85.

5.8 Natuur

5.8.1 Algemeen

Natuur en groen wordt over het algemeen positief gewaardeerd. Zowel in als buiten de stad vertoeven veel mensen in hun vrije tijd graag in de bossen en de parken in en rond de stad. De aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een woongebied. Ook de aanwezigheid van dieren, bijvoorbeeld vogels, in de stad wordt over het algemeen als positief ervaren. De aanwezigheid van voedsel-, nest- en rustgebied is voor deze dieren van essentieel belang.

5.8.2 Regelgeving

De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in de structuurvisie is vastgelegd. De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming:

Gebiedsbescherming

De gebiedsbescherming omvat Beschermde Natuurmonumenten aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998, Speciale Beschermingszones (SBZ/Natura 2000) aangewezen in het kader van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn en de Ecologische Hoofdstructuur. De gebiedsbescherming van Natura 2000 is sinds oktober 2005 volledig geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998. Globaal kan gesteld worden dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebiedspecifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten een beschermd gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied.

Soortbescherming

De soortbescherming is geregeld in de Flora- en faunawet. Deze geldt overal in Nederland. In het kader van de Flora- en faunawet is een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Om bij het opstellen van plannen, dan wel bij de uitvoering van de werkzaamheden, rekening te kunnen houden met de aanwezige beschermde plant- en diersoorten is het noodzakelijk om te weten welke soorten in het gebied voorkomen. Indien als gevolg van werkzaamheden ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen beschermde soorten worden geschaad, is een ontheffing ex art. 75 Flora- en faunawet noodzakelijk. Deze moet worden aangevraagd bij het ministerie van EZ. Het is daarbij van belang om te weten tot welke beschermingscategorie de aanwezige soorten behoren.

5.8.3 Onderzoek

In een Natuurtoets is de aanwezigheid van beschermde gebieden en flora- en faunasoorten onderzocht. Doel van dit onderzoek is het opsporen van strijdigheden van de voorgenomen ontwikkeling met de Flora- en faunawet en/of de Natuurbeschermingswet 1998 en het bepalen of de aanvraag van een ontheffing noodzakelijk is. De volledige rapportages zijn opgenomen in bijlage 5 tot en met 8 bij dit bestemmingsplan. Hieronder staan de belangrijkste resultaten weergegeven.

5.8.3.1 Gebiedsbescherming

Het plangebied heeft geen beschermde status in het kader van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de Natuurbeschermingswet 1998 en maakt geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. Het plangebied ligt ongeveer 1,4 kilometer verwijderd van de Ecologische Hoofdstructuur (zie figuur 5.3). De ontwikkeling hoeft niet getoetst te worden aan de regelgeving omtrent de Ecologische Hoofdstructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0013.png"

Figuur 5.4: Ligging plangebied ten op zichten van de Ecologische hoofdstructuur (Bron: Provincie Noord-Holland).

Een groot gedeelte van het plangebied is aangeduid als een transformatiegebied voor meervoudig (natuur) (zie figuur 5.4). Dit houdt in dat binnen het zoekgebied voor verstedelijking waarin opgaven voor natuur en andere opgaven voor bijvoorbeeld wonen, water, recreatie, natuur en bedrijvigheid in samenhang worden ontwikkeld met inachtneming van de ruimtelijke kwaliteit, bereikbaarheid en duurzaam bouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0014.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0015.png"

Figuur 5.5: Beschermde natuurgebieden rondom het plangebied (bron: Structuurvisie Noord Holland 2040).

De Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer , Naardermeer en Oostelijke Vechtplassen liggen op dusdanige afstand dat er mogelijk ecologische relaties bestaan tussen het plangebied en de natuurwaarden van deze beschermde gebieden. De beoogde ontwikkeling wordt daarom middels een voortoets getoetst aan de Natuurbeschermingswet 1998. De volledige Voortoets is opgenomen als bijlage bij de eerder genoemde rapportage (Bijlage 6 bij dit bestemmingsplan). Uit de effectbeoordeling in de Voortoets komt naar voren dat effecten op de instandhoudingsdoelen van in de omgeving gelegen Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Het project is derhalve niet vergunningplichtig onder de Natuurbeschermingswet. Er hoeft geen vervolgonderzoek in de vorm van een "Verslechteringstoets" of "Passende beoordeling" uitgevoerd te worden.

5.8.3.2 Soortbescherming

De voorgenomen ontwikkeling kan effect hebben op beschermde diersoorten. In de Natuurtoets zijn de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de beschermde flora en faunasoorten onderzocht. Uit de bureaustudie en het veldbezoek die in het kader van de Natuurtoets zijn uitgevoerd is naar voren gekomen dat ter plaatse van het plangebied strikt beschermde soorten voorkomen. Hieronder zijn de mogelijke effecten voor de aanwezige soortgroepen beschreven. De volledige rapportage is te vinden in bijlage 6. In 2013 is een aantal extra veldbezoeken aan het plangebied gebracht. De resultaten van dit aanvullend flora- en faunaonderzoek zijn opgenomen in bijlage 7.

Broedvogels

Op het grasland en in slootkanten zijn gedurende het voorjaar broedende vogels aanwezig. Vanuit de Flora- en faunawet is het verboden om de nesten van broedende vogels te verstoren. Hiervoor kan in principe ook geen ontheffing worden verkregen, omdat dit eenvoudig kan worden voorkomen door voor broedende vogels verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen te plannen.

Dit betekent dat bij de planning van de noodzakelijke werkzaamheden rekening gehouden dient te worden met het broedseizoen van de aanwezige vogels. Indien gedurende het voorjaar gewerkt wordt, dient voorkomen te worden dat vogels op of nabij het bouwterrein gaan broeden om zo negatieve effecten op vogels door verstoring te voorkomen.

Voor het broedseizoen kan geen vaste periode worden aangegeven, omdat dit van soort tot soort en van jaar tot jaar kan verschillen afhankelijk van de weersomstandigheden. Globaal kan echter de periode maart tot en met juli aangehouden worden.

Vleermuizen

Negatieve effecten op vleermuizen binnen het projectgebied zijn uit te sluiten. Er bevinden zich geen vaste rust- of verblijfplaatsen voor vleermuizen op het plangebied aanwezig die negatieve effecten ondervinden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Verstoring van beschermde vaste- rust of verblijfplaatsen is daarom niet aan de orde.

Er zijn op het plangebied geen lijnvormige elementen aanwezig die als vaste vliegroute voor vleermuizen fungeren. Als foerageergebied lijkt het plangebied dermate op het aangrenzende terrein (Bloemendalerpolder) dat de vleermuizen hier naar kunnen uitwijken als foerageerlocatie. De te realiseren woningen in het plangebied vormen in potentie een nieuw geschikte verblijf- en rustplaats voor gebouwminnende vleermuissoorten. De openbare ruimte is geschikt als foerageergebied.

Het verdwijnen van het open karakter door het bebouwen van het terrein, zal gezien het geringe oppervlakte en het veelvuldig aanwezig zijn van foerageergebieden in de directe omgeving, niet resulteren in negatieve effecten op de eventuele aanwezige vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in de woonwijk nabij het plangebied.

Overige zoogdieren

De start van de bouwwerkzaamheden en het bouwrijp maken van het terrein kan met name schade veroorzaken aan kleine zoogdieren zoals muizen en spitsmuizen. Deze schade is maar moeilijk te voorkomen, omdat deze soorten bij onraad hun hol in vluchten en zich bij gunstige omstandigheden nagenoeg het hele jaar voortplanten. Ze leven echter geen van alle in kolonies. Door de solitaire levenswijze en de hoge reproductiesnelheid zal de schade beperkt zijn. De gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten komt niet in het gedrang.

Grotere zoogdieren als hazen hebben grote leefgebieden en zullen tijdens de werkzaamheden het plangebied mijden. In de omgeving is voldoende geschikt leef- en rustgebied aanwezig voor deze soorten. Effecten op populatieniveau van deze soorten worden niet verwacht.

De gunstige staat van instandhouding van voorkomende en verwachte zoogdieren zal niet worden aangetast als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

Amfibieën en reptielen

In de directe omgeving van het plangebied zijn in de periode van 2005-2009 en 2011 rugstreeppadden waargenomen (waarneming.nl; Arcadis, 2010; Herder, 2010, NDFF). In het veenweidengebied gebruikt de rugstreeppad de relatief smalle, visvrije slootjes met kale oevers als voortplantingswater (Emond et al., 2010). De watergangen die het plangebied doorkruisen vormen daardoor in potentie een geschikte leefbiotoop. Daarnaast is het plangebied is in potentie een geschikt foerageer, rust- en verblijfgebied voor de ringslang en heikikker. Aangezien de soorten strikt beschermde soorten zijn, is in 2013 aanvullend onderzoek uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van de soorten te onderzoeken.

Ringslang

De veldonderzoeken naar ringslangen zijn uitgevoerd op 3 mei, 3 juni en 4 juli 2013. De aanwezig watergangen zijn in de ochtend (3 mei, 3 juni) en middag (4 juli) onder gunstige weersomstandigheden (half bewolkt) langs gelopen. Op geen van de dagen is de soort waargenomen. In 2013 zijn diverse waarnemingen van deze goed herkenbare soort geregistreerd in de regio (waarneming.nl; NDFF). De soort is met regelmaat gezien in de omgeving van Muiden, langs het IJmeer en in de Nieuwe Keverdijkse polder, maar niet in het plangebied (NDFF, waarneming.nl). Geconcludeerd kan worden dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van functionele leefomgeving van deze soort zoals gedefinieerd in de soortenstandaard (Ministerie van EZ). Het niet aanwezig zijn van goede voortplantingsplaatsen en overwinteringsplaatsen in de polder in de vorm van boomwallen, struweel en moerassen en de geïsoleerde ligging van het plangebied en directe omgeving maken het plangebied ongeschikt als leefgebied. Dat wil niet zeggen dat zwervende exemplaren incidenteel de kerngebieden rondom Weesp verlaten en af en toe in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn en zelfs in Leeuwenveld I. Dat blijkt o.a. uit de waarnemingen uit 2007 en 2009 en de waarnemingen genoemd in de zienswijze die op het ontwerp bestemmingsplan is ingediend (zie paragraaf 8.3 gelezen in combinatie met bijlage 12). Derhalve is zekerheidshalve een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet aangevraagd en mitigerende maatregelen in het plan(proces) opgenomen. Dienst Regelingen zal beslissen of het verlenen van ontheffing noodzakelijk is.

Rugstreeppad

De veldonderzoeken naar rugstreeppadden zijn uitgevoerd op 6 mei, 28 mei en 4 juli 2013. Op deze dagen is het plangebied bezocht in de avonduren om te luisteren naar zogenaamde koren van deze soort. Alle avonden waren geschikt om te monitoren met relatief warme temperaturen overdag overgaand in een warme avond zonder al te veel wind. Op 3 juni en 4 juli is tevens actief gezocht naar larven en eiersnoeren van de rugstreeppad.

Op 28 mei zijn diverse roepende dieren gehoord, het koor van naar schatting minimaal 5 roepende mannetjes bevond zich ten noorden van het plangebied. 28 mei was een van de eerste zwoele zomeravonden in een verder erg koude meimaand, oftewel ideale omstandigheden voor de monitoring van deze soort. Op onderstaande luchtfoto (afbeelding 5.6) is aangegeven waar de koren zijn gehoord op die avond. Op deze of de andere avonden zijn geen individuen op het plangebied gehoord. Ook zijn er geen larven of eiersnoeren aangetroffen, niet van de rugstreeppad, evenmin van andere kikker- of paddensoorten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0016.png"

Figuur 5.6: Aanwezige rugstreeppad koren.

De voortplantingsplaats van de rugstreeppad is de plaats die de rugstreeppad gebruikt om de eieren af te zetten en waar de larven opgroeien. In de context van artikel 11 van de Flora- en faunawet moet onder de voortplantingsplaats ook de functionele leefomgeving van die plek, voor zover het voortplantingssucces van de rugstreeppad daarvan afhankelijk is, worden begrepen. In geval van de rugstreeppad is het lastig onderscheid te maken tussen de functionele leefomgeving en de diverse vaste rust- of verblijfplaatsen die de soort in de winter of in de zomer gebruikt, zodat in die gevallen het gehele gebied waar de rugstreeppad is aangetroffen als functionele leefomgeving moet worden beschouwd (Soortenstandaard, 2011).

Overtreding van artikel 11 (Het is verboden voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen te beschadigen, te vernielen, weg te nemen of te verstoren) is aan de orde wanneer het water waarin voortplanting van de rugstreeppad plaatsvindt of het gebied waar de rugstreeppad is aangetroffen vernietigd of aangetast worden of wanneer de kwaliteit daarvan als leefgebied voor de rugstreeppad verslechtert, waardoor dit niet meer de functie van voortplantingsplaats of vaste rust- en verblijfplaats kan vervullen.

Door de beoogde ontwikkeling gaat voor de rugstreeppad een beperkt deel van het functionele leefgebied verloren, niet zijnde het voortplantingswater. Om het verdwijnen van het deel van het functionele leefgebied (veenweidegebied) voor de soort , en daarmee overtreding van artikel 11 van de Flora- en faunawet te voorkomen, te mitigeren is het noodzakelijk om in de plannen geschikt landhabitat voor de soort op te nemen, door groenstroken en overhoekjes dusdanig in te richten dat deze van waarden zijn voor de soort als foerageer- en overwinteringsgebied. De nieuw in te richten watergangen rondom de woonwijk dienen eveneens geschikt leefgebied te vormen voor de rugstreeppad (ondiepe, natuurvriendelijke oevers).

Heikikker

Uit gegevens van de NDFF en RAVON blijkt dat er waarnemingen van deze soort in de polder zijn geregistreerd. Er zijn waarnemingen bekend van de soort langs de Papelaan en nabij het Amsterdam Rijnkanaal (GAN-data). Gesteld kan worden dat de soort zeldzaam is in de polder en waarschijnlijk in zeer lage aantallen voorkomt. De populatie is klein en geïsoleerd van andere populaties (Herder, 2010). De soort is niet vastgesteld in het plangebied, niet tijdens het onderzoek van Oranjewoud en ook niet door de RAVON. Op waarneming.nl staan evenmin waarnemingen in of nabij het plangebied. De bekende vindplaats van de soort bevindt zich nabij het Amsterdam Rijnkanaal waar zich een aantal extensief beheerde graslandjes bevinden en waar ook bosschages en houtwallen aanwezig zijn. Dergelijke plaatsen zijn van belang als landbiotoop en overwinteringsbiotoop voor de soort. Het biotoop op Leeuwenveld III en IV komt niet overeen met het biotoop van de soort in het veenweidegebied. Als de soort voorkomt in laagveengebieden dan zijn het bij voorkeur oude enigszins verwaarloosde schrale graslandjes (extensief beheerde graslanden) met ruigtes en met pitrus en pijpestrootje (Herder, 2010, RAVON). Oranjewoud heeft in 2013 de percelen van Leeuwenveld III en IV onderzocht op het voorkomen van de strikt beschermde rugstreeppad en ringslang (zoals hiervoor beschreven). Indirect negatieve effecten op deze strikt beschermde soort, en daarmee overtreding van artikel 11 van de Flora en faunawet, door omvorming van het veenweidegebied in een woonwijk zijn niet geheel uit te sluiten derhalve is een ontheffing aangevraagd en mitigerende maatregelen uitgevoerd.

Overige amfibieën en reptielen

Naast de rugstreeppad en de ringslang is het mogelijk dat er algemene amfibiesoorten in het plangebied voorkomen, zoals de groene kikker, bruine kikker en de gewone pad. Deze amfibieën zijn zogenaamde algemeen beschermde 'Tabel 1' soorten. Voor de algemene soorten van Tabel 1 geldt een vrijstelling voor artikelen 8 t/m 12 van de Flora- en faunawet.

Planten

Effecten op beschermde flora kan uitgesloten worden aangezien deze niet op het plangebied aanwezig zijn.

Overige beschermde soorten

Er zijn geen effecten te verwachten op beschermde soorten uit de soortgroepen, dagvlinders, vissen, libellen of ongewervelde. De beschermde soorten uit deze soortgroepen zijn niet aangetroffen tijdens het terreinbezoek en de aangetroffen biotopen zijn niet geschikt voor de beschermde soorten uit deze soortgroepen.

5.8.4 Conclusie

Het plangebied is geschikt leefgebied is voor de beschermde rugstreeppad. Bij meerdere veldbezoeken in 2012 en 2013 is de rugstreeppad niet waargenomen in het plangebied. Eenmaal is de soort nabij het plangebied waargenomen. Derhalve is geconcludeerd dat het plangebied onderdeel uitmaakt het van het functionele leefgebied van de rugstreeppad. Omdat een beperkt deel van het functionele leefgebied van de rugstreeppad verloren gaat, is het noodzakelijk maatregelen te nemen om overtreding van artikel 11 van de Flora- en faunawet (zie 5.8.3) te voorkomen. Daarom worden groenstroken en watergangen dusdanig ingericht dat deze van waarden zijn voor de soort als foerageer- en overwinteringsgebied. Deze maatregelen zijn betrokken bij de aanvraag voor een ontheffing van artikel 11 van de Flora- en faunawet. Tevens wordt aanbevolen het terrein vanaf het begin van de werkzaamheden af te rasteren om de rugstreeppad buiten het gebied te houden. Aangezien het incidenteel voorkomen van de ringslang en heikikker niet is uit te sluiten is voor beide soorten eveneens een ontheffing aangevraagd.

Het plangebied is geschikt leefgebied voor algemeen beschermde zoogdiersoorten (zoals muizen en hazen), daarnaast vormt het een land en waterbiotoop voor algemeen beschermde amfibieënsoorten en is het een leef- en broedgebied voor enkele weidevogels. Vleermuizen kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied. Dat er verblijfplaatsen van strikt beschermde vleermuizen op het plangebied voorkomen is uit te sluiten. Het omvormen van het plangebied in een woonwijk heeft geen negatief effect op de gunstige staat van eventueel op het plangebied voorkomende foeragerende vleermuizen, evenmin heeft het een negatief effect op een vaste vliegroute. Op het plangebied zijn geen vogelnesten aanwezig die jaarrond zijn beschermd (categorie 1-4).

Aangezien op het terrein in het voorjaar diverse broedende vogels zijn te verwachten, dient hiermee in de planning en uitvoering rekeningen gehouden te worden. Er mag in geen geval begroeiing langs de oevers gedurende het voorjaar verwijderd worden zonder ecologische inspectie vooraf.

5.9 Externe veiligheid

5.9.1 Algemeen

In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.

Externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans.

Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. De plaatsgebonden risicocontouren en de fN-curve zijn weergegeven in figuur 5.7.

afbeelding "i_NL.IMRO.0457.BP01HZ04SG-vg01_0017.png"

Figuur 5.7: Plaatsgebonden risicocontouren en fN-curve

Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen.

De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

5.9.2 Regelgeving

Besluit externe veiligheid

Sinds 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtig risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven en wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten.

Uit het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet een verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb brengt het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen op dezelfde lijn als het beleid voor inrichtingen en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hier geldt eveneens een grenswaarde en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico alsmede een verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico voor het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening. Voor de verantwoordingsplicht is een onderscheid gemaakt tussen het 100%-letaliteitsgebied en het 1%-letaliteitsgebied. Binnen eerstgenoemd gebied geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht, in laatstgenoemd gebied dient alleen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid beschouwd te worden. Een bestemmingsplan geeft de ligging weer van de in het plangebied aanwezige buisleidingen alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding gemeten vanuit het hart van de buisleiding.

Wijziging 'Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen'

In de wijziging van de 'Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' (CRvgs), gepubliceerd op 21 december 2009 in de Staatscourant, is ingespeeld op de ontwikkelingen rondom basisnet Weg en basisnet Water. De ontwikkelingen rondom Basisnet Spoor zijn sinds de publicatie op 13-7-2012 ook doorgevoerd (Bijlage 4) . Veranderingen die vanwege de ontwikkelingen omtrent Basisnet Weg en Water zijn doorgevoerd, betreffen de volgende:

  • berekeningen van PR 10-6/jr.-contouren voor (rijks)wegen zijn niet meer nodig, aangezien veiligheidszones in bijlage 5 van de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen zijn gegeven die als plaatsvervangend voor de PR 10-6/jr.-contouren gelden;
  • bij vaarwegen is een onderscheid gemaakt tussen 'rode' en 'zwarte' vaarwegen afhankelijk van het type schip dat over deze vaarweg stoffen vervoert. In bijlage 6 is dit onderscheid gemaakt en tevens aangegeven welke transporthoeveelheden dienen te worden gehanteerd bij risicoberekeningen. Deze aantallen zijn zo gekozen dat ze geen PR 10-6/jr.-contour veroorzaken die buiten de vaarweg is gelegen. Vaarwegen die niet in de bijlage worden genoemd, hebben geen noemenswaardige risicocontouren;
  • Bij de berekening van het groepsrisico voor zowel Weg als Water dienen de getallen uit respectievelijk bijlage 5 en 6 te worden gebruikt. In het geval van de Weg wordt alleen nog gebruik gemaakt van de hoeveelheden LPG.

5.9.3 Onderzoek

In de rapportage 'Onderzoek EV Leeuwenveld III en IV' is het aspect Externe Veiligheid in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling nader beschouwd. De volledige rapportage is als Bijlage 9 opgenomen bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Hieronder staan de belangrijkste resultaten weergegeven.

In de omgeving van het plangebied kunnen risicobronnen met betrekking tot de externe veiligheid aanwezig zijn. Daarbij wordt gekeken naar de aanwezigheid van de volgende risicovolle activiteiten:

  • Transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water;
  • Hogedruk aardgasleidingen en K1,K2,K3-vloeistofleidingen;
  • Inrichtingen, welke onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen vallen.

De volgende bronnen zijn op voorhand bekend:

  • 1. Transport van LPG over de Leeuwenveldseweg ten behoeve van het LPG tankstation;
  • 2. het Total LPG tankstation aan de Leeuwenveldseweg;
  • 3. Vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor Amsterdam-Weesp ten zuidwesten van de planlocatie;
  • 4. Inrichting Abbott Healthcare Products B.V ten zuiden van de planlocatie;
  • 5. Hogedruk aardgastransportleidingen in Bloemendalerpolder;
  • 6. Het BEVI bedrijf A. Smit & Zonen b.v.

ad 1) Een weg binnen de bebouwde kom heeft conform de bijlage van het concept Handleiding Risicoanalyse Transport (paragraaf 1.2.4) geen 10-6 contour. De transportaantallen liggen dusdanig laag dat met betrekking tot het groepsrisico de 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. De transportroute is voor de ontwikkeling niet relevant.

ad 2) Het LPG tankstation heeft een invloedsgebied van 150 meter. De PR 10-6 contour van het LPG-tankstation is 45 meter, gemeten vanaf het vulpunt. Binnen de 45 meter zijn geen kwetsbare objecten gelegen, dan wel worden deze niet mogelijk gemaakt. Het PR vormt geen belemmering.

ad 3) De spoorlijn is een relevante risicobron en moet beschouwd worden binnen de verantwoording van het groepsrisico. Uit de QRA is gebleken dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt en iets toeneemt door de planontwikkeling. De spoorlijn is niet belemmerend, maar wel relevant. De verantwoording van het GR is van toepassing.

ad 4) De inrichting Abbott Healthcare Products B.V ligt op circa 1200 meter afstand van het plangebied. De effectsafstand is 1600 meter. Deze inrichting is daarmee een relevante risicobron voor het plangebied, de verantwoording van het GR is van toepassing.

ad 5) De hogedruk aardgastransportleidingen in de Bloemendalerpolder hebben een invloedsgebied dat niet over het plangebied valt. De leidingen zijn daarmee geen relevante risicobronnen voor het plangebied.

ad 6) Het BEVI bedrijf A. Smit & Zonen b.v. ligt ten oosten van het plangebied op een afstand van 890 meter. De effectafstanden van de inrichting zijn kleiner, de inrichting is daarmee geen relevante risicobron voor de inrichting.

Verantwoordingsplicht

Uit bovenstaande is gebleken dat de verantwoordingsplicht geldt voor het plan Leeuwenveld III en IV. In de verantwoording van het groepsrisico wordt aandacht besteed aan alle relevante risicobronnen, te weten het LPG tankstation, de spoorlijn Amsterdam-Weesp en de inrichting Abbott Healthcare Products B.V. Hieronder worden kort de belangrijkste constateringen en aan te raden maatregelen samengevat per aspect van de verantwoordingsplicht.

Groepsrisico

  • Spoorlijn Amsterdam-Weesp: groepsrisico bevindt zich onder de oriëntatiewaarde en neemt iets toe;
  • LPG tankstation: groepsrisico bevindt zich onder de oriëntatiewaarde en neemt toe;
  • De inrichting Abbott Healthcare Products B.V: het groepsrisico zal in theoretische zin iets toenemen. Gezien de afstand tussen bron en ontwikkeling is dit rekenkundig niet zichtbaar te maken. Het groepsrisico in de huidige situatie is laag.

Zelfredzaamheid

  • Alleen woonfuncties zijn in het plangebied aanwezig. De mate van zelfredzaamheid wordt als 'normaal' bestempeld;
  • De vluchtwegen zijn beperkt. Bijna het volledige plangebied valt onder het invloedsgebied van het spoor. Tevens worden de vluchtmogelijkheden beperkt door water aan de zuidwest- en oostkant. Indien verbinding naar het open veld ten noorden van het plan aanwezig is zal ook vluchten door het openveld mogelijk zijn. In dat geval zijn de vluchtmogelijkheden 'voldoende';
  • Vanwege een toxisch scenario bij het spoor en de inrichting Abbott Healthcare Products B.V. is de lucht- en kierdichtheid van de toekomstige woningen een aandachtpunt tevens wordt geadviseerd de mogelijkheid te onderzoeken om de (mechanische) ventilatie uitschakelbaar te maken;
  • Om effecten van een BLEVE binnen het plangebied te beperken kan op gebouwniveau gekeken worden naar: beperkt glasoppervlak aan de 'spoorse zijde', toepassing van glas dat minder splintert.

Bestrijdbaarheid

Het plangebied is goed aan te rijden, het gebied heeft voldoende geschikte wegen voor hulpdiensten. De toegang van het plangebied met één ontsluiting is niet optimaal. De verbinding tussen het plangebied en het naastgelegen Leeuwenveld I dient geschikt te zijn voor hulpdiensten.

De risicobronnen spoor en LPG-tankstation zijn relatief goed bereikbaar.

Risicocommunicatie

De regionale brandweer geeft aan dat het Waarschuwings Alarmerings Systeem (WAS) in de huidige situatie dekkend is. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat dit voor de plansituatie ook zo zal zijn.

Ruimtelijke maatregelen

Door het verplaatsen van de functies met hoge bevolkingsdichtheden verder van de bronnen af kan de veiligheid verbeterd worden. Hier gelden echter ook andere afwegingen dan enkel externe veiligheid.

Tijdsaspect

Er loopt een procedure met betrekking tot een revisievergunning voor de inrichting Abbott Healthcare Products B.V. De gevolgen voor de effectafstand zijn nog niet bekend, maar gestreefd wordt naar een veiligere situatie. De Bloemendalerpolder is een plan ten noorden van Leeuwenveld dat in de nabije toekomst wordt uitgewerkt en ontwikkeld. Dit biedt de mogelijkheid vluchtroutes van de risicobronnen af te realiseren.

5.9.4 Conclusie

Uit het onderzoek blijkt dat er op het gebied van externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10 Kabels en leidingen

Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het bestemmingsplan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden.

Binnen het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen.

5.11 Bezonning

In het kader van de planontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd (zie bijlage 10). In de studie zijn de schaduweffecten van het plan voor de omliggende bebouwing in Leeuwenveld I in beeld gebracht voor de data 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december. De schaduwwerking is voor de tijdstippen 9.00 uur, 12.00 uur, 15.00 uur en 18.00 uur in beeld gebracht. Omdat de zon in de zomerperiode later onder gaat, is voor de datum 21 juni tevens nagaan wat de schaduwwerking is op de tijdstippen 19.00 uur en 20.00 uur. De bezonningsstudie laat zien dat het plan slechts in beperkte mate leidt tot schaduwwerking voor de woningen in Leeuwenveld I. Alleen voor peildatum 21 maart, tijdstip 18.00 uur geldt dat een aantal woningen aan de Lobbrich Boudgerslaan schaduw ondervinden. Op de overige peildata en tijdstippen is dit niet het geval. Met de bezonningsstudie is voldoende aangetoond dat het woon- en leefklimaat van de bewoners van Leeuwenveld I voldoende is gewaarborgd.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Indeling van de regels

6.1.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridisch bindende regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en de regels over de toegelaten bebouwing. De verbeelding is samen met de regels het juridisch bindend kader van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken.

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels en bestaat uit twee artikelen. Artikel 1 geeft een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen. Artikel 2 geeft aan hoe bepaalde afstanden, maten, oppervlakte en inhoud gemeten moeten worden.

In hoofdstuk 2 zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Per bestemming wordt aangegeven welke functies en doeleinden op de gronden toelaatbaar zijn en wat er hoe en mag worden gebouwd.

In hoofdstuk 3 worden de algemene regels behandeld, waarbij onder andere gedacht moet worden aan de anti-dubbeltelregels, algemene bouw- en gebruiksregels en algemene aanduidingsregels.

Hoofdstuk 4 bevat regels met betrekking tot het overgangsrecht en de slotregel.

6.1.2 Visie: globaal bestemmingsplan met directe bouwtitel

Het voorliggende bestemmingsplan kan worden getypeerd als een globaal eindplan. Dit houdt in dat het bestemmingsplan in hoofdlijnen de stedenbouwkundige structuur vastlegt, maar vrijheden biedt ten aanzien van bijvoorbeeld woningtypen en de situering van woningen, erfontsluitingswegen, groenvoorzieningen en pleinen. Tegelijkertijd biedt het plan een rechtstreekse bouwtitel, zodat geen extra procedures doorlopen hoeven te worden voordat een omgevingsvergunning (voorheen: bouwvergunning) kan worden verleend.

De ratio achter deze keuze is de economische crisis, waarin Nederland momenteel verkeert. Als gevolg hiervan is de woningmarkt ingrijpend veranderd. De woningbouwmarkt is de afgelopen jaren aan het verschuiven van een aanbodgerichte naar een vraaggerichte markt. Meer dan in het verleden moet de bouwwereld inspelen op de wensen en behoeften van de consument. Deze ontwikkeling is als gevolg van de economische crisis versterkt. Daar waar de gemeente Weesp tot voor kort inzette op gedetailleerd uitgewerkte bestemmingsplannen, bestaat er nu behoefte aan flexibele bestemmingsplannen. Met dergelijke plannen is het mogelijk snel in te spelen op verandering in de markt, zonder dat daar tijdrovende en kostbare procedures voor nodig zijn. Daarbij is het zoeken naar een goede balans tussen rechtszekerheid enerzijds en flexibiliteit anderzijds. In de navolgende paragraaf wordt een toelichting gegeven op de wijze waarop dit is uitgewerkt voor dit bestemmingsplan.

6.2 Artikelsgewijze toelichting

In de volgende paragrafen is een toelichting opgenomen van de in de regels opgenomen bestemmingen.

6.2.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel worden de begrippen nader omschreven die gebruikt worden in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.


Artikel 2 Wijze van meten

In dit artikel wordt beschreven op welke wijze de in de regels voorgeschreven maatvoeringen gemeten moeten worden.

6.2.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

De regels in verband met de bestemmingen kennen een min of meer gelijke opbouw en bestaan in ieder geval uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Voor een aantal bestemmingen zijn daarbij bijzondere gebruiksregels opgenomen en/of een afwijkingsbevoegdheid dan wel wijzigingsbevoegdheid.

De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Hierin is een omschrijving opgenomen van de functies, die binnen de bestemming zijn toegestaan (het gebruik). In een aantal gevallen is een specificatie opgenomen van de toegestane functie, die correspondeert met een functieaanduiding op de verbeelding.

De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning.

Basis voor de opzet van de verbeelding en daarmee de regels is het stedenbouwkundig ontwerp van LEVS architecten (november 2012). De hierin opgenomen verkaveling is indicatief, dat wil zeggen toont een mogelijk indeling van het gebied.

Artikel 3 Verkeer

Deze bestemming geldt voor wegen, straten en voet - en fietspaden ten behoeve van de afwikkeling van doorgaand verkeer. Daarnaast zijn binnen deze bestemming parkeer- en groenvoorzieningen toegestaan. Tankstations zijn niet toegestaan. Gelet op de beoogde functie, is de bestemming 'Verkeer' toegekend aan de Leeuwenveldseweg, voor zover gelegen in het plangebied, en de ontsluitingsweg aan de oostzijde van het plangebied. Uit het oogpunt van rechtszekerheid is aan de Leeuwenveldseweg, de nieuwe ontsluitingsweg, inclusief de aan te leggen rotonde, tevens de aanduiding 'weg' toegekend. Hiermee is geborgd dat met de nieuwe ontsluitingsweg slechts in beperkte mate kan worden geschoven. Deze keuze is gemaakt, omdat uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde voor geluid op de bestaande woningen van Leeuwenveld I anders wordt overschreden.

De erftoegangswegen (tussen de woonvelden) en bijbehorende pleinen en speelvoorzieningen zijn opgenomen in de bestemming 'Woongebied'. Aan de gebiedsontsluitingsweg aan de noordzijde van het plangebied (ter ontsluiting van de woonvelden) en een smalle strook parallel aan de ontsluitingsweg is de bestemming 'Verkeer - Verblijf' toegekend (zie toelichting artikel 4).

Ten aanzien van het bouwen geldt dat slechts gebouwen zijn toegestaan voor nutsvoorzieningen en gebouwen ten behoeve van het openbaar vervoer. Daarnaast zijn bouwregels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 4 Verkeer - Verblijf

Deze bestemming geldt voor wegen (met een snelheid van 30 km/u), straten en voet - en fietspaden ten behoeve van de afwikkeling van bestemmingsverkeer. Deze bestemming is toegekend aan de weg aan de noordzijde van het plangebied, die dient ter ontsluiting van de woonvelden in het plangebied en een smalle strook parallel aan de ontsluitingsweg. De bouwregels zijn vergelijkbaar met die van de bestemming 'Verkeer'.

Artikel 5 Water

De watergangen aan de zuidzijde van het plangebied (parallel aan de Leeuwenveldseweg) en aan de oostzijde van het plangebied (parallel aan de nieuwe ontsluitingsweg) zijn voorzien van de bestemming 'Water'. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor de aanleg, het onderhoud en de instandhouding van watergangen en vaarwegen en de waterhuishouding. Er gelden bouwregels voor onder andere steigers.

Artikel 6 Woongebied

De bestemming Woongebied is toegekend aan het overgrote deel van het plangebied. Hier zijn woningen voorzien met de daarbij behorende voorzieningen als erftoegangswegen, openbare ruimte in de vorm van pleinen, speelvoorzieningen, trottoirs, etc. In de bestemming Woongebied zijn een aantal zaken hard vastgelegd, dit om te kunnen sturen op de belangrijkste ruimtelijke uitgangspunten voor het gebied:

  • a. het aantal woningen is begrensd (op maximaal 222);
  • b. de bouwhoogte is vastgelegd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een bouwhoogte van 14 m langs de Leeuwenveldseweg en 11 m in het middengebied en langs de nieuwe ontsluitingsweg. Middels een aanduiding is bepaald dat langs de nieuwe ontsluitingsweg maximaal 60% van de bebouwing een bouwhoogte van 14 m mag hebben. In de spies (westzijde) is een bouwhoogte van 17 m toegestaan. Hiermee wordt een stedenbouwkundig accent mogelijk gemaakt;
  • c. Om te kunnen waarborgen dat voldoende open water in het plangebied wordt gerealiseerd, zijn de normen die Waternet hiervoor stelt, in de specifieke gebruiksregels opgenomen;
  • d. Erfbebouwing zoals aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen niet meer dan 50% van het terrein beslaan, dat is gelegen rondom de woning. Daarbij geldt dat erfbebouwing minimaal 3 meter achter de voorgevel moet zijn gesitueerd. Onder omstandigheden zijn bijgebouwen en carports voor de voorgevel toegestaan. Dit geldt slechts indien het bijgebouw/de carport anders niet bereikbaar is via de openbare ruimte, bijvoorbeeld omdat de achtertuin niet te bereiken is via een achterom. In dat geval kan met toepassing van een procedure van het bestemmingsplan worden afgeweken.

Artikel 7 Waarde - Archeologie - 7

Uit de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart blijkt dat het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde heeft. In beginsel kan de ontwikkeling worden uitgevoerd zonder dat daarvoor nader archeologisch onderzoek nodig is. Het is echter niet geheel uitgesloten dat er archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn. Bij plannen met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en hieraan gekoppeld grondbewerkingen die dieper dan 4 meter beneden het maaiveld reiken, is onderzoek nodig. De dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 7 regelt deze bescherming en is toegekend aan het gehele plangebied.

6.2.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn de aanvullende, algemene regels opgenomen.

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Dit artikel bevat de bepaling om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Het artikel is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en is daaruit overgenomen.

Artikel 9 Algemene bouwregels

In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Het betreft regelingen ten aanzien van kelders, dakkapellen en dakterrassen.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

Aanvullend zijn in het plan regels gesteld ten aanzien van het gebruik. In dit artikel is een aantal gebruiksmogelijkheden voor het gehele plan uitgesloten (strijdig gebruik). Daarnaast zijn regels gegeven voor beroepen en bedrijven aan huis.

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels

Op de verbeelding zijn drie 'gebiedsaanduidingen' opgenomen, respectievelijk:

  • 'geluidzone - spoor': deze aanduiding is opgenomen in verband met de ligging van het plangebied binnen de geluidzone van het spoor Amsterdam-Amersfoort/Almere. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat hogere waarden nodig zijn en dat in dat kader maatregelen moeten worden getroffen. Via deze gebiedsaanduiding is geborgd dat deze maatregelen ook daadwerkelijk worden getroffen, anders kan een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen niet worden verleend.
  • 'geluidzone - weg': het plangebied is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van meerdere wegen. De regeling is identiek aan die van de 'geluidzone - spoor'.
  • 'veiligheidszone - lpg': deze aanduiding is opgenomen in verband met het vulpunt van het nabijgelegen LPG tankstation. Binnen een straal van 45 m van het vulpunt mogen geen nieuwe gevoelige bestemmingen (woningen) worden gerealiseerd.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft onder meer dakkapellen en dakterrassen. Zo worden dakterrassen toegestaan binnen 2 meter van de zijdelingse perceelsgrens. Uiteraard mag hierdoor geen strijd met burenrecht ontstaan.

Artikel 13 Overige regels

In dit artikel wordt verwezen naar wet- en regelgeving welke is opgenomen in het bestemmingsplan en welke van kracht is op het moment van de tervisielegging van het ontwerp van dit plan.

6.2.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

De tekst uit dit artikel is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Het betreft een regeling voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het bestemmingsplan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.

Artikel 15 Slotregel

In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van het onderhavig plan Leeuwenveld III en IV is gewaarborgd vanuit particuliere financiering door de initiatiefnemer Blauwhoed. Door middel van de anterieure overeenkomst, die op 6 juni 2013 door de gemeente en de initiatiefnemer is ondertekend, worden de kosten voor onder andere omliggende infrastructuur naar rato door de gemeente verhaald op de initiatiefnemer.

Op basis van artikel 6.12 lid 1 Wro dient de gemeenteraad in het kader van onderhavige ontwikkeling een exploitatieplan op te stellen. Doordat echter een anterieure overeenkomst is afgesloten, zijn de kosten van de grondexploitatie conform artikel 6.12 lid 2 Wro 'anderszins verzekerd'. De verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan vervalt hiermee. Het bestemmingsplan is gelet op bovenstaande economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Vooroverleg

Het voorontwerp bestemmingsplan 'Leeuwenveld III en IV' is verzonden aan de wettelijke instanties ten behoeve van het overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro (Besluit ruimtelijke ordening). Het voorontwerp is verzonden aan onderstaande instanties.

  • 1. Rijk
  • 2. Provincie Noord-Holland;
  • 3. Waternet;
  • 4. Veiligheidsregio Gooi en Vechtstreek
  • 5. Gasunie

Tijdens de periode van tervisielegging is één vooroverlegreactie ontvangen (Waternet). De samenvatting en beantwoording van de reactie van Waternet is opgenomen in bijlage 11, waarin de Nota inspraak en vooroverleg is opgenomen.

8.2 Inspraak

Het voorontwerp bestemmingsplan 'Leeuwenveld III en IV' heeft met ingang van 14 maart 2013 gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is één inspraakreactie ingediend van de Vereniging van Eigenaren Leeuwenveld 1. De samenvatting en beantwoording van deze inspraakreactie is opgenomen in de 'Nota van inspraak en overleg', die is op genomen in bijlage 11. Naar aanleiding van deze inspraakreactie is het voorontwerp op een aantal punten aangepast. De aanpassingen hebben de essentie van het plan niet geraakt.

8.3 Ontwerp bestemmingsplan

Op basis van de vooroverleg- en inspraakreacties is het ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de gemeenteraad naar voren kunnen worden gebracht.

Het ontwerp van het bestemmingsplan Leeuwenveld III en IV heeft van 26 september 2013 tot en met 6 november 2013 ter inzage gelegen. Er zijn twee zienswijzen ingediend:

  • 1. Vereniging van Eigenaren Leeuwenveld 1 (VVE Leeuwenveld 1);
  • 2. Prorail.

Beide zienswijzen zijn tijdig ingediend en derhalve ontvankelijk. In de bijgevoegde 'Nota zienswijzen' (zie bijlage12) is een samenvatting en beantwoording per zienswijze opgenomen. Tevens zijn in de nota enkele ambtshalve wijzigingen benoemd. Dit zijn wijzigingen die los van de ingediende zienswijzen worden doorgevoerd.